Yearly Archives: 2016

Respecteier dien taal……25 (’t Jaor van de dialekte 3)

In een van haar wekelijkse columns wijst prof. dr. Leonie Cornips onlangs op een merkwaardig feit.
Zij vraagt zich namelijk af waar niet-Limburgers terecht kunnen als zij meer informatie over dat Limburgs zouden willen krijgen. Mevrouw Cornips moet jammer genoeg constateren dat er geen enkele cursus bestaat die uitsluitend bedoeld is voor deze categorie belangstellenden. Ligt dat aan het gegeven dat een dergelijke cursus niet bestaat of is er mogelijk toch te weinig belangstelling voor? Of mogelijk een combinatie van beide factoren?
Hoe het ook zij, het zou wel een cursus algemeen Limburgs moeten zijn en niet het specifieke dialect van één plaats. Maar wie zou zo’n cursus vervolgens moeten organiseren? In de huidige situatie neemt een niet-Limburgse belangstellende gewoon deel aan een cursus in het plaatselijk dialect; in ons geval aan de cursus over het Sittards.
Toch roept bovenstaande kwestie de vraag op hoe het in onze provincie gesteld is met de mogelijkheid een cursus in een plaatselijk dialect te volgen. Want ook deze taalcursussen horen toch tot dat deelaspect van het Limburgs dat alle aandacht zou moeten krijgen. Het is juist dit facet dat over het algemeen niet kan rekenen op een grote provinciale belangstelling. Maar ook hier geldt: respecteier dien taal . Het is met name dit taalkundig aspect dat mijns inziens veel meer aandacht zou moeten krijgen: de dialectspreker maakt immers dan pas echt kennis met zijn taal, haar structuur en haar klankleer.
We moeten helaas vaststellen dat er maar op een paar plaatsen in de provincie de mogelijkheid bestaat een taalcursus te volgen: een zevental plaatsen, waarbij opmerkelijk is dat er zich drie daarvan in de gemeente Sittard-Geleen bevinden: Geleen, Holtum en Sittard! Doorgaans is er op provinciaal niveau ook nog alleen maar sprake van een basiscursus; over een vervolgcursus wordt nauwelijks gerept!
Er rijst natuurlijk de vraag waarom er dan zo weinig taalcursussen worden aangeboden. Bestaat er onder de dialectsprekers dan zo weinig animo? En als dat al zo is, wat is dan de reden??
Men kan in ieder geval constateren dat er bij veel dialectsprekers sprake is van een zekere zelfingenomenheid, zelfgenoegzaamheid. Nogal vaak klinkt het argument: ik spreek mijn eigen dialect en wat moet er dan nog meer?? Over die taal hoeft me niemand wat te vertellen, het is allemaal even duidelijk. Wat zou een cursus aan mijn kennis van mijn dialect nog kunnen toevoegen? Niets toch? Verdieping in de eigen taal, kennis van de klankleer, dat alles heb je toch niet nodig. Toch? Je kunt ook zonder al die ballast verzorgd je eigen dialect spreken. Daar komt dan ook nog eens bij dat dialect verbonden wordt met vroeger, met nostalgie. Vanuit die optiek gezien kan men nauwelijks belangstelling verwachten voor taalontwikkelingen die geleid hebben tot de huidige taalsituatie. Want als je blik vrijwel uitsluitend gericht is op het verleden, sta je met de rug naar het heden en de toekomst gekeerd.
Daarnaast kan men constateren dat er op provinciaal niveau niets of nauwelijks iets ondernomen wordt de deelname aan deze cursussen te promoten. Geen provinciale oproep of stimulans via de media bijvoorbeeld om mensen aan te sporen een dergelijke cursus te volgen. Het provinciaal taalbeleid op dit gebied is op dit punt dan ook aan een grondige herwaardering toe. De grote instanties op dialectgebied zullen toch veel explicieter met hun beleid op de voorgrond moeten treden om belangstelling te wekken voor taalverdieping.
Een derde aspect ligt eigenlijk in de lijn van het voorgaande. Het is namelijk zo: wil men een cursus gaan geven, dan zal men toch de beschikking moeten hebben over cursusleiders met een behoorlijke kennis van de taalstructuren en de klankleer. Hij/zij moet kunnen terugvallen op een brede kennis van zaken.
Maar helaas is er in onze provincie geen mogelijkheid meer een tussenkader op te leiden dat over voldoende kennis beschikt verantwoord cursussen te geven. Dat nu wreekt zich: er is vrijwel geen tussenkader meer en, zoals gezegd, er is ook geen mogelijkheid meer om hen op te leiden. Broodnodig is dat er weer kadercursussen gegeven worden om deze witte plek langzaam op te vullen.
Taalrespect hangt samen met kennis en inzicht. En daaraan ontbreekt het nu ten ene male. Wil men zijn eigen taal ook voor de toekomst een gezonde en brede basis geven, dan is er op dit terrein nog heel wat achterstand weg te werken. Juist nu, in het jaar van de dialecten, zou een dergelijk initiatief bijzonder zijn toe te juichen!!

F.W.; okt./nov. 2016

Bron : sittard-geleen-nieuws.nl

    Datum:

    Voornaam:

    Achternaam:

    Adres:

    Postcode:

    Plaats:

    E-mailadres:

    3 laatste cijfers bankrekening:

    Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

    Aantal exemplaren:

    Levering:

    Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

    Respecteier dien taal…24 (2016 ’t Jaor van de dialekte 2 : Lager loon voor platpraters)

    ’t Jaor van de dialekte: Lager loon voor platpraters

    In een gelijknamig artikel in de Limburgse dagbladen van 22 september j.l. wordt een relatie gelegd tussen dialect spreken en het gebruik van de Standaardtaal (het Nederlands) en wel in economische zin. Uit onderzoek zou namelijk blijken dat er een duidelijk verschil in salaris kan zijn (tot wel 15% toe!) ten nadele van de dialectspreker.
    Al met al is het een merkwaardig artikel; mijns inziens tendentieus en tegenstrijdig. Zo kan de titel ervan toch niet anders worden opgevat als uitermate dubbelzinnig: Lager loon voor platpraters. Met name het woord platpraters kan heel gemakkelijk als denigrerend worden gelezen, te meer omdat in de tekst onder meer gesproken wordt over plat Amsterdams, d.w.z. onbeschaafd taalgebruik. Natuurlijk plat betekent naast dialect ook onbeschaafd, platvloers. Zou het omwille van de duidelijkheid niet wenselijker zijn om in het vervolg alleen nog maar te spreken over dialect en niet meer over plat als we dialect bedoelen?
    Bovendien wekt de titel ook nog eens de indruk dat deze stelling geldt voor alle dialectsprekers, een veralgemenisering dus van de visie.
    In de tekst worden de sprekers ingedeeld in twee groepen: dialectsprekers en standaardtaalsprekers in de verhouding 40% en 60%. Een merkwaardige indeling, omdat nergens duidelijk wordt gemaakt wat onder dialect en Standaardtaal verstaan wordt. En dat heeft wel degelijk gevolgen voor het betoog. Het percentage van 60% is zonder meer extreem hoog, zo niet onmogelijk. Normaal wordt uitgegaan van een 15%!! Maar wat wordt er allemaal tot het Standaardnederlands gerekend?? Hoe zit dat eigenlijk met iemand die verzorgd Nederlands spreekt met een licht regionaal accent? Is dat dan geen Standaardnederlands? Wat is er verkeerd aan als men in een dergelijk geval hoort dat de spreker uit bijvoorbeeld de Randstad of Limburg komt? Niets toch…?
    Overigens wordt in het artikel nergens gesproken over de percentages dialectsprekers die ook verzorgd Standaardnederlands spreken. Ter sprake komen blijkbaar alleen die gevallen waarbij de spreker een onacceptabel gekleurd Nederlands spreekt. Dat geldt overigens voor alle taalvariaties die afwijken van de Standaardtaal.
    Maar wat wordt in het artikel bedoeld met dialect?? Zijn dat alle zojuist genoemde taalvariaties? Het lijkt erop dat iedere afwijking van de Standaardtaal gezien wordt als dialect!! Want zonder enige verdere toelichting wordt het plat Amsterdams naast het Twents als voorbeeld gegeven.
    Een vreemde combinatie! Zo is o.a. het Limburgs zowel op nationaal als Europees niveau erkend als streektaal, wat betekent dat het volgens de Raad van Europa gerekend moet worden tot het onvervreemdbaar Europees cultureel erfgoed. Een erkenning die men niet kan verwachten van bijvoorbeeld het Amsterdams of het Rotterdams. Taalvariaties die men dan ook geen dialect noemt.
    Wat is nu in wezen de kern van het betoog? Veel leidinggevenden die van zichzelf vinden dat ze aan de standaardnorm voldoen, kijken neer op dialectsprekers, die ze als dom en achterlijk beschouwen. We zien dus dat arrogantie en gebrek aan taalkennis de basis gaan vormen waarop anderen beoordeeld worden en lager geclassificeerd worden.
    Maar dan de vraag: hoe moet men in de opvoeding met dialect omgaan? Nu is er mijns inziens toch sprake van verwarring en onduidelijkheid. Er wordt namelijk gesteld dat een dialect leren zeker bij de opvoeding hoort, want tweetaligheid is nu eenmaal een pre! Dialect wordt nu dus niet gezien als een min of meer achtergebleven taalvorm, maar werkelijk als eigentijdse taal. Om dan verder geen “fouten” te maken is het raadzaam dat dialect alleen maar in familiaire kring te gebruiken. Daarbuiten moet zoveel mogelijk Standaardnederlands gesproken worden. Een interessante visie die – op zijn zachtst gezegd – niet in de lijn ligt van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden (Raad van Europa; 1992).
    Het artikel laat overigens duidelijk zien dat minachting voor dialect van “boven af” komt, waar zelfingenomenheid en kortzichtigheid de leidraad vormen bij beoordelingen. En daartegen is en blijft het moeilijk vechten, want Gegen die Dummheit kämpfen sogar die Götter vergebens (waarbij Dummheit synoniem staat voor arrogantie en gebrek aan taalkundige kennis).
    Het artikel wijst er daarentegen wel op dat veel dialectsprekers hun Nederlands onvoldoende verzorgen. Dat gegeven is overigens niets nieuws. Voor elke taalgebruiker geldt de regel dat hij zijn taal moet respecteren en dus cultiveren.
    Dus: naast verzorgd dialectgebruik óók verzorgd Nederlands. Dat is naar mijn mening een kwestie van cultuur, beschaving.

    F.W.; sept. 2016

    Bron : sittard-geleen.nieuws.nl

      Datum:

      Voornaam:

      Achternaam:

      Adres:

      Postcode:

      Plaats:

      E-mailadres:

      3 laatste cijfers bankrekening:

      Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

      Aantal exemplaren:

      Levering:

      Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

      Respecteier dien taal 23…… (2016: ’t Jaor van de dialekte 1)

      2016: ’t Jaor van de dialekte

      2016? Waarom dit jaar? Nu, dat mag duidelijk zijn: de Vereniging Veldeke Limburg viert dit jaar haar 90-jarig bestaan.
      Opgericht in 1926 stelde zij zich van begin af aan als doel onze dialecten te behouden en het gebruik ervan te bevorderen.
      Nu, 90 jaar later wordt dit terecht gevierd. Het jubileumjaar werd geopend met een officiële avond in de schouwburg van Roermond met genodigden uit de culturele en maatschappelijke wereld van Limburg. Op deze avond werd ook het eerste exemplaar van het boek van Luc Wolters aangeboden aan onze gouverneur. Deze studie bespreekt de 90 jaar Veldeke-geschiedenis, een bijzondere uitgave mag men wel stellen.
      De avond werd afgesloten met een cabaret. Jammer genoeg was dat voor heel wat van de aanwezigen een grote teleurstelling. Het niveau ervan werd algemeen gekenschetst als “patronaats-niveau”! Als opening van “Het jaar van de dialecten” was dit duidelijk onder de maat. Zeker niet op het niveau van een op Europees niveau officieel erkende streektaal. Een gemiste kans!

      Natuurlijk werd er in de media uitvoerig aandacht besteed aan dit bijzonder “dialect-jaar”. Er verschenen allerlei artikelen in de regionale pers en ook de Limburgse radio- en t.v.-zenders lieten hun belangstelling blijken. Wat me nogal pijnlijk trof, was dat uit bijna al die reacties maar al te duidelijk bleek dat de meeste journalisten en verslaggevers nauwelijks enig idee hadden van wat de streektaal Limburgs (en haar dialecten) betekent. Gangbaar zijn de aloude en allang achterhaalde clichés in de geest van: “Is een dialect wel een taal?” of “Is dialectspreken niet nadelig voor het Nederlands?”

      Het Limburgs is in 1997 officieel erkend als streektaal. Maar dit gegeven blijkt vrijwel niemand zich te kunnen herinneren? Heeft 20 jaar taalbeleid dan geen enkel effect gehad? Of moeten we nu spreken van verkeerd taalbeleid, “achterstallig onderhoud”? Of is de belangstelling voor onze dialecten dan echt tanende??? Die indruk ontstaat wel als men de media mag geloven, want na 20 jaar nog steeds dezelfde vooroordelen?
      Wel wordt er positief geoordeeld over het hoge percentage van de Limburgers dat nog zijn eigen taal spreekt. Maar wat betekent dat in werkelijkheid? Welke sociale plaats neemt dat dialect dan in? Anders gezegd: wat zegt dit eigenlijk over de taalcultuur in de betekenis van je eigen taal respecteren??
      Iedere keer als er in de media nogal wat aandacht besteed wordt aan de positie van het dialect, duikt er een vreemd fenomeen op. Uit ingezonden brieven van een enkele lezer blijkt steeds weer opnieuw dat deze absoluut tegen het gebruik van dialect is in de openbare ruimte. Dáár is volgens de briefschrijver slechts plaats voor één taal, namelijk het Nederlands. Dat is de taal die beschaafde mensen – volgens hem – uitsluitend dienen te gebruiken. (!!)
      Wel positief is het bericht dat het LGOG (het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap) in het najaar 2016 een studie/ een overzicht laat verschijnen van alle Limburgse schrijvers en dichters.
      Wat is er intussen zoal gebeurd in dit “Jaar van de dialecten”? Nou, er is een “wedstrijd” geweest om na te gaan wat dan wel het meest originele en typisch Limburgse woord is. De gelukkige winnaar was “fispernölle”! In de pers is hieraan nogal wat aandacht besteed, maar laten we reëel zijn, dit woord is door honderden andere woorden te vervangen.
      Leuk, maar dit thema-jaar vraagt toch wezenlijk iets anders! “Instandhouden en bevorderen” van onze dialecten vraagt om een meer serieuze en bredere benadering dan dit soort futiliteiten.

      Wellicht vindt u deze column nogal algemeen. En tot op zekere hoogte is dat ook zo; lees deze maar als een soort inleiding. In de komende columns zullen we een aantal aspecten ter sprake brengen die mijns inziens van wezenlijk belang zijn om onze dialecten de broodnodige ruggensteun te geven voor de toekomst.
      Er zal nog heel wat werk verzet moeten worden!!

      F.W.; 25 augustus 2016

      Bron : sittard-geleen.nieuws.nl

        Datum:

        Voornaam:

        Achternaam:

        Adres:

        Postcode:

        Plaats:

        E-mailadres:

        3 laatste cijfers bankrekening:

        Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

        Aantal exemplaren:

        Levering:

        Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

        Respecteier dien taal 22…… (Stoottoon en Sleeptoon 2)

        Stoottoon en sleeptoon in het Limburgs (2)

        In de vorige column (nr. 21) hebben we gesproken over één van de meest kenmerkende aspecten van het Limburgs: de stoottoon – sleeptoon. Het is inderdaad een heel typisch taalverschijnsel: een klinker wordt op twee manieren uitgesproken: “gewoon”, normaal: stoottoon en min of meer “slepend”, golvend: sleeptoon (teken: ~). Dit heeft tot gevolg dat er een betekenisverschil optreedt. Vergelijk maar: sjtein (stoottoon) en sjtein (sleeptoon). In het eerste geval is er sprake van meervoud, in het tweede van enkelvoud.
        Door deze eigenschap (stoottoon – sleeptoon) kan het Limburgs tot de toontalen gerekend worden. Talen dus waarin verschil in betekenis onder meer wordt bepaald door de manier waarop eenzelfde klinker in verschillende woorden anders wordt uitgesproken. Een toontaal bij uitstek is wel het Chinees, waarin bijvoorbeeld de a van ma op wel vijf verschillende manieren uitgesproken kan worden met daarbij iedere keer een andere betekenis.
        De kwestie stoottoon – sleeptoon in het Limburgs heeft bovendien een aantal bijzondere kenmerken.
        Merkwaardigerwijs blijken niet-Limburgers het verschil in uitspraak van de stoottoon- sleeptoon niet te horen, terwijl dit voor Limburgers “normaal” is;

        De eigenschap stoottoon – sleeptoon speelt met name in het Sittards nog een heel bijzondere rol.
        In de columns 13 – 14 – 15 hebben we de zogenaamde Sittardse Diftongering uitgebreid aan de orde gesteld.
        Ter herinnering: deze typische Sittardse klankwet heeft de eigenschap dat in veel gevallen de ee>ei, de eu>ui en de oo>ou wordt: beer>beier; greun>gruin en broor> brouwer.
        Deze regel heeft als voorwaarde dat de klinker een stoottoon heeft. Heeft de klinker daarentegen een sleeptoon, dan is die omvorming in principe uitgesloten:
        Met sleeptoon:
        Veer (wij) blijft veer; voor (bij ploegen) blijft voor en veur (voor) blijft veur.

        We gaan er gemakshalve maar vanuit dat een klinker zijn sleeptoon “gewoon” vasthoudt: wies (~) blijft wies (~)
        Maar…niets is minder waar!! Een klinker met een sleeptoon kan die eigenschap óók verliezen. Later we eens een paar mogelijkheden nader bekijken.
        Uitgangspunt: staat een woord/klinker met sleeptoon vrij/ongedekt, dan behoudt dat/deze dit kenmerk. Voorbeeld: Dae is niet goud wies (~);
        Dao kump ’t vaer (~).
        Echter:
        bij verbuiging verliest de klinker de sleeptoon. Voorbeeld: hae is ‘ne wieze (nu zonder sleeptoon); twee veerponten: twee vaere (zonder sleeptoon);
        ook als de klinker met sleeptoon wordt opgenomen binnen een woordgroep, dan verdwijnt de eigenschap sleeptoon: eine wieze (geen sleeptoon) man; ’n wies (geen sleeptoon) vrouw (en vergelijk nu ook : ’n wiesvrouw).

        Geregeld worden we geconfronteerd met een discussie over de scherpe Hollandse –g en de zachte Limburgse –g. Overigens is die zachte –g niet echt typisch Limburgs, maar dat terzijde.
        In feite is dit een weinig zinvolle discussie, waarvan de cliché- conclusie al bij voorbaat vaststaat.
        Veel ingrijpender en ook veel wezenlijker is het gebruik van de sleeptoon in het Nederlands! Immers, het Nederlands kent helemaal geen sleeptoon en het is daarom onjuist deze in het Nederlands te gebruiken.
        Bij de onoplettende spreker ontstaan dan gevallen als:
        Ja (~), ik zal daar ook naar toe gaan(~). Die man is niet goed wijs(~).
        Kijk (~), daar loopt een muis (~)! Hoe laat kom je thuis (~)?
        Nu, zoals gezegd: het Nederlands kent geen sleeptonen. Dat betekent dat de spreker goed moet opletten deze in te voegen. Het hoort immers tot een verzorgd taalgebruik (taalcultuur dus) dat onze taal zo goed mogelijk wordt uitgesproken: niet Limburgs, maar ook niet Hollands of het televisie-Nederlands!
        Hoe dit probleem op te lossen? Héél eenvoudig: spreek die “moeilijke” woorden kort, want het Nederlands wordt behoorlijk kort uitgesproken.

        F.W. (10 juli 2016)

        Bron : sittard-geleen.nieuws.nl

          Datum:

          Voornaam:

          Achternaam:

          Adres:

          Postcode:

          Plaats:

          E-mailadres:

          3 laatste cijfers bankrekening:

          Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

          Aantal exemplaren:

          Levering:

          Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

          Respecteier dien taal 21…… (Stoottoon en Sleeptoon 1)

          Stoottoon en sleeptoon 1

          In column 18 en 20 schreven we over het initiaal woordaccent in o.a. onze dialecten (column 18) en over de specifieke effecten die voortvloeien uit dit beginaccent. (zie column 20: begin(-letterrijm)
          In het Limburgs treffen we daarbij ook nog een andere eigenschap aan die in het Nederlands taalgebied alleen in onze streektaal voorkomt. Het is de oppositie stoottoon – sleeptoon. Wat is nu eigenlijk een stoottoon en een sleeptoon? Bij een stoottoon wordt de klinker van een woord/lettergreep met het dragende woordaccent kort uitgesproken. Bij een sleeptoon ligt de situatie complexer, want nu wordt een klinker min of meer golvend, slepend uitgesproken. Het gevolg van de eigenschap stoottoon/sleeptoon is dat er betekenisverschil optreedt. En dat nu is een uniek verschijnsel. Een enkel voorbeeld ter verduidelijking.
          Neem de ie, uitgesproken met stoottoon: wies (melodie); met sleeptoon: wies (wijs, verstandig ). Om duidelijk te kunnen aangeven wanneer er sprake is van stoottoon of sleeptoon, gebruiken we alleen voor de sleeptoon een teken: ~. In alle andere gevallen is er dan sprake van een stoottoon. De oppositie in ons voorbeeld wordt dan als volgt aangegeven: wies – wies (~)

                  Stoottoon      Sleeptoon (~)
          1      twee sjtein     ‘ne sjtein
          2      de vaer (vogel)     ’t vaer (veerpont)
          3      Fien (naam)      fien (fijn)
          4      geis (te)  (ga   je)     geis (geest)
          5      sjoon (mooi)     sjoon (schoenen)
          6      mien (mien bouk) (]bez.vnw)     mien (steenkolenmijn)
          7      hoes (hoes)     hoes (huis)
          8      bie (bij) (]zn)     bie (bij) (]voorzetsel)
          9      kael (keel)     kael (kerel)
          10    sjtraot (straat)     sjtraot (strot)
          11    sjtroef (stroef)     sjtroef (pluk haar)
          12    waeg (wegen)     waeg (weg)
          13    paerd (paarden)     paerd (paard)
          14    knien (konijnen)     knien (konijn)
          15    paus (pauze)     paus (paus)
          16    tiet (borst)     tiet (tijd)
          17    oug (oog)     ouch (ook)
          18    toesj (muzikale hulde)     toesj (ruil)
          19    bein (benen)     bein (been)
          20    toon (toon)     Toon (naam)
          21    bal (dansfeest)     bal (speelbal)
          22    graaf (graaf)     graaf (graf)
          23          —     (t)hoes  ((t)huis)
          24          —     oet (uit)
          25    ich gaon (ik ga)     veer gaon (wij gaan)
          26    ich zeen (ik zie)     veer zeen (wij zien)
          27    ich doon (ik doe)     veer doon (wij doen)
          28    ich sjtaon (ik sta)     veer sjtaon (wij staan)
          29    ich sjlaon (ik sla)     veer sjlaon (wij slaan)
          30    …     jao (ja)
          31    …     …
          32    …     …
          33    …     …

          Zoals u ziet, is deze lijst (bij lange na) nog niet volledig. Het is aan u om te proberen er nog enkele aan toe te voegen. Wie weet, vindt u mogelijk nog een aantal bijzondere voorbeelden. Hoe dan ook, wees zo vriendelijk en stuur a.u.b. ons de resultaten van uw “huiswerk” op: fag.walraven@ziggo.nl Veel plezier met uw zoektocht!

          F.W. ; 28 mei 2016

          Bron : sittard-geleen.nieuws.nl

            Datum:

            Voornaam:

            Achternaam:

            Adres:

            Postcode:

            Plaats:

            E-mailadres:

            3 laatste cijfers bankrekening:

            Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

            Aantal exemplaren:

            Levering:

            Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

            Respecteier dien taal 20…… (Speciaal effect door woordaccent)

            Speciaal effect door woordaccent…

            In column 18 hebben we gesproken over het woordaccent en de plaats ervan bij meerlettergrepige woorden.

            We hebben toen geconstateerd dat de Germaanse talen, waaronder het Nederlands en het Limburgs (en dus ook het Sittards) een overwegend beginaccent hebben (een initiaalaccent).Talen zoals het Frans hebben daarentegen een voorkeur voor een eindaccent (een finaalaccent).
            Het is daarom niet verwonderlijk dat dit beginaccent een belangrijke rol speelt bij het woordgebruik. Dit nu is in bijzondere mate het geval als beklemtoonde woorden/lettergrepen van twee (of meer woorden) met dezelfde medeklinker(-s) beginnen. Dit is overigens een taalverschijnsel dat veel vaker voorkomt dan algemeen gedacht wordt. We noemen er een aantal:
            door dik en dun; lief en leed/ leif en leid; met man en macht; voor dag en dauw/ veur daag en dauw; kind noch kraai (waarbij “kraai” een verbastering is van “crade”, dat “familie” betekent); paal en perk stellen; kracht naar kruis; óf zoals in de reclame: met melk meer mans, óf in een naam: Villa Zon en Zee.
            Een dergelijk stijlverschijnsel wordt wel alliteratie of stafrijm of Germaans rijm of begin(-letter)rijm genoemd. Maar ook zonder deze begrippen te kennen, kunnen we gemakkelijk met deze typische eigenschap spelen. Wie van ons kent niet het oude versje:

            Leentje leerde Lotje lopen langs de lange lindelaan

            Of het bekende tekstje in het dialect: Wo woont Wullem Wèk? Wullem Wèk woont wied weg. Waat waef Wullem Wèk? Wullem Wèk waef witte wol.
            Het is daarom niet verwonderlijk dat auteurs graag gebruikmaken van dit stijlmiddel. En het zijn vooral dichters die met hun beknopte manier van formuleren als geen ander de bijzondere werking van de alliteratie gebruiken om hun taal een nog grotere expressiviteit te geven.
            Ter illustratie hiervan heb ik teksten gekozen uit het poëtisch werk van de priester-leraar-dichter Guido Gezelle (1830-1899).
            Een voorbeeld uit Kerkhofblommen (1858), geschreven naar aanleiding van het overlijden van een van zijn studenten. De gekozen voorbeelden zijn uit een gedicht waarin de tocht van de boerderij naar de kerk beschreven wordt. De familie is gezeten in een huifkar met wit dekzeil, die getrokken wordt door twee paarden.
            Traagzaam trekt de witte wagen
            Door de stille straten…
            En enkele regels verder:
            Stap voor stap, zo gaan de peerden,
            Traagzaam, treurig, stille en stom (= zonder geluid)
            In het gedicht Twee horsen (1897) spreekt Gezelle over twee trekpaarden, die zware paarden die we nog van vroeger kennen. Ze trekken samen een zware last en dan heet het:
            Ze zwoegen, ze zweten….
            en
            Ze stappen, ze stenen, ze stijven
            de stringen.

            Door het herhaald gebruik bovendien van het onderwerp ze krijgt de zin een uiterst expressieve werking. De herhaling van ze kan daarbij ook nog eens gezien worden als een specifieke alliteratie. Zou men de zin lezen zonder ze, dan is de poëtische werking beduidend minder: Ze stappen, stenen en stijven….. Het ritmisch effect van de oorspronkelijke versregel is in het laatste geval vrijwel verdwenen.
            En dat is nu de kracht van de dichter: expressief omgaan met de alledaagse taal om haar daardoor die extra dimensie te geven.

            F.W. (april 2016)

            Bron: sittard-geleen.nieuws.nl

              Datum:

              Voornaam:

              Achternaam:

              Adres:

              Postcode:

              Plaats:

              E-mailadres:

              3 laatste cijfers bankrekening:

              Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

              Aantal exemplaren:

              Levering:

              Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

              Respecteier dien taal 19……..(Jaomer)

              Jaomer…….

              De vastelaovend is weier veurbie. Veer höbben ’t maske begrave en de pekskes verzörg en opgeruump. Op Esjelegounsdig zeen veer ós ’n esjekrutske gaon haole en daonao höbbe veer ós d’n hering gebete, wie me zo zaet. De vastentied is begónne….

              En zoals gebruikelijk na zulke dagen ga je weer over tot de orde van de dag. Bij het opruimen van het een en ander word je ook weer geconfronteerd met het typische taalgebruik en de ”bijzondere” spelling van het Sittards! Ik heb intussen ontdekt dat er in die nogal in zichzelf gesloten carnavalswereld drie stromingen te ontdekken zijn.

              Zo zijn er voornamelijk ouderen die vasthouden aan het oudere taalgebruik en de spelling ervan. Ze doen dit, zo blijkt, uit respect voor de traditie. Nu, van hun oprechtheid in dezen ben ik wel overtuigd. Maar hun visie in deze kwesties schiet mijns inziens op twee kernpunten te kort. Ze zijn  van mening dat een vroegere taallaag (“ ’t richtige Zittesj van de aw luuj”) als de beste of in ieder geval als duidelijk beter wordt gezien dan de huidige taalsituatie. Nu, zo’n taalsituatie heeft nooit bestaan en zal ook niet kunnen bestaan. Bovendien gaan ze er stilzwijgend van uit dat “traditie” een statisch gegeven is, dat dus (vrijwel) niet onderhevig is aan verandering. In de praktijk blijkt echter dat “traditie” een zich steeds weer ontwikkelend gegeven is dat door elke volgende generatie wordt overgenomen en ingevuld volgens de visie van die generatie. Kort samengevat: traditie is niet statisch, maar dynamisch. Een enkel voorbeeld: 50 jaar geleden werd op een andere manier carnaval gevierd dan nu. Dat hoeft niet beter of slechter te zijn, nee, het is gewoon anders.

              Er is een tweede richting in de (Sittardse) carnavalswereld die ervan uitgaat dat je je eigen dialect kunt schrijven zoals je zelf denkt dat het moet. Regels met betrekking tot taaleigen en/of spelling doen niet ter zake. Uitgangspunt: de “boodschap” (de inhoud dus) moet begrepen worden, waarbij de vorm (de spelling en grammatica) geen rol van betekenis speelt. Van “taalcultuur en respect” is hier in het geheel geen sprake!

              Merkwaardigerwijs is men van mening dat dat niet voor het Nederlands geldt. Een zinnetje als De trijn komp waarscheinlek om ag uur aan is, wat de betekenis betreft, zonder meer duidelijk. Daar is geen twijfel over mogelijk. Opvallend nu is dat men een dergelijke spelling niet accepteert, want dat is Nederlands (sic!). Men gaat er blijkbaar impliciet van uit dat je eigen taal, je dialect minderwaardig is, en dat zelfs de vraag moet worden gesteld of er wel van een taal gesproken kan worden!  Waarom, zo vraag ik me dan af, is er zo’n groot respect voor de standaardtaal (uiteraard geen bezwaar!) en reageert  men zo negatief naar de eigen taal, het Sittards, toe. Wat men blijkbaar niet beseft/wil beseffen, is dat dialect een taal is, hoewel geografisch beperkt. Het voldoet namelijk volledig aan de voorwaarden die aan het begrip “taal” gesteld worden!

              Een derde richting bestaat hierin dat men zijn eigen weg gaat, d.w.z. men volgt een eigen taalvisie en past die toe op (vrijwel) alle officiële teksten en publicaties.  Neem als voorbeeld de ingezonden teksten voor het programmaboekje. Het betreft  dan teksten die voldoen aan alle taal- en spellingscriteria. Je gelooft soms je ogen niet als je het uiteindelijke resultaat ziet, want je tekst blijkt zodanig ondeskundig “bewerkt” te zijn dat ze nauwelijks nog herkenbaar is! En dat zowel naar de inhoud als de vorm. De bewerker blijkt, zoveel moge duidelijk zijn, geen of nauwelijks enig idee te hebben van de basisklankleer en het wezen van de spelling. In feite is het een ratjetoe van ondoorzichtige keuzes en het door elkaar haspelen van verschillende spellingssystemen. Neem een ander overduidelijk voorbeeld: het Optochtreglement of een officiële bekendmaking.

              Waarop is mijn kritiek dan gebaseerd? Wat het woordgebruik betreft, hierbij kan men constateren dat woorden van het type recepce/recepse en insjtallaase/insjtallaasje tot een verouderd taalgebruikgebruik gerekend worden. Ze worden ook wel gezien als een onverzorgde, wel erg volkse manier van taal. In ieder geval is het zo dat in het huidige Sittards deze vormen feitelijk helemaal verdwenen zijn.

              Over de spelling is het volgende op te merken: het gebruikte spellingsysteem is volkomen verouderd. Bovendien is het gebaseerd op een onjuiste en onlogische combinatie van verschillende spellingsystemen, zodat er een onoverzichtelijke wirwar van tegenstrijdige regels ontstaan is.

              Nee, er is in het Sittardse op dat punt duidelijk geen taalcultuur, geen respect voor je eigen dialect. Natuurlijk kan men op die ingeslagen weg van onkunde en kortzichtigheid doorgaan. Maar het zal uiteindelijk vergeefse moeite zijn, want wat voorbij is, is voorbij. Zich daarvoor blijven inzetten heeft iets weg van trekken aan een dood paard…..

              Maar is het nou echt niet mogelijk de koppen bij elkaar te steken en er samen voor te zorgen dat er een verfrissende wind over het Sittardse taallandschap gaat waaien?

              Ons dialect mag toch rekenen op respect en zeker op die plaats die het met recht moet innemen.

              F.W. (februari 2016)                                                                                                                  

              Bron : sittard-geleen.nieuws.nl

                Datum:

                Voornaam:

                Achternaam:

                Adres:

                Postcode:

                Plaats:

                E-mailadres:

                3 laatste cijfers bankrekening:

                Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

                Aantal exemplaren:

                Levering:

                Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

                Respecteier dien taal………nr. 18 (Klemtoon, stoottoon, sleeptoon)

                Klemtoon, stoottoon, sleeptoon

                De genoemde begrippen zijn wellicht iedereen bekend. Het is echter niet mogelijk ze in één artikel te bespreken. Immers, de klemtoon is een algemeen bekend taalverschijnsel, terwijl de sleeptoon en de stoottoon tot het typisch Limburgs taaleigen behoren. Er zal daarom bijzonder aandacht aan deze taaleigenschap geschonken worden.

                Beperken we ons daarom in deze column tot het begrip klemtoon of woordaccent. Dat is kort gezegd het gegeven dat in meervoudige lettergrepen één lettergreep duidelijk met meer nadruk wordt uitgesproken dan de andere lettergreep/-grepen. Het is een algemeen taalkundig verschijnsel, waarbij de hoofdregel voor het Nederlands en het Limburgs (vrijwel) gelijk is. Enkele voorbeelden: las-tig/ les-tig, ko-ken/kao-ke, wan-de-len/wan-je-le, on-mid-del-lijk/ón-mid-del-lijk.

                De plaats van de klemtoon

                Hoewel het begrip klemtoon woordaccent in alle talen voorkomt, is de positie ervan niet steeds en overal dezelfde. In veel talen geldt als hoofdregel dat de klemtoon op de eerste lettergreep valt. Deze eigenschap geldt zeker voor de Germaanse talen, waartoe het Nederlands en het Limburgs behoren. Men spreekt dan van beginaccent of initiaalaccent. Andere talen, zoals het Frans, hebben bij voorkeur een eindaccent, ook wel finaal accent genoemd: ca-deau, mer-ci, regle-ment.

                Ook de plaats van het hoofdaccent blijkt niet automatisch vast te liggen. Zo is in de loop der eeuwen dit accent vaker van plaats veranderd. Ook in onze moderne tijd worden we er nog geregeld mee geconfronteerd. Voor velen van ons geldt de volgende uitspraak: volks-huisvesting, bouw-nijverheid. We horen echter hoe langer hoe meer, zelfs via het Journaal, een uitspraak als volks-huis-vesting/bouw-nij-verheid. En in plaats van nar-cis hoort men nar-cis, en wordt er naast pa-gina ook wel pa-gi-na gebruikt.

                Ook bij het gebruik van (voor-)namen hoort men vaak verkeerd gebruik van het woordaccent: Leeu-war-den in plaats van Leeu-warden; Kerk-ra-de in plaats van Kerk-rade; Ma-ria en niet Ma-ri-a; Lé-on en niet Lé-on.

                In andere talen verspringt de hoofdklemtoon bij meerlettergrepige woorden soms bijvoorbeeld naar de tweede, zelfs derde, lettergreep.

                Toch kan ook in de eigen taal (Nederlands en Limburgs) de plaatsing van de hoofdklemtoon verschillen, namelijk in die situaties dat een betekenisverschil niet duidelijk is. Neem doorlopen. Welke betekenis wordt bedoeld? Daarom wijkt in dergelijke situaties de plaats van de klemtoon af van de hoofdregel: door-lopen (hij is doorgelopen) naast door-lo-pen (hij heeft die opleiding doorlopen); be-de-len naast be-delen; ne-ge-ren naast ne-geren.

                Het komt geregeld voor dat beklemtoonde beginlettergrepen met dezelfde medeklinker(-s) beginnen. Een voorbeeld: voor dag en dauw. Door deze combinatie ontstaat een zeer specifieke eenheid met een bijzondere werking.

                In onze volgende column zullen we nader op dit taalgebruik ingaan.

                F.W. (jan. 2016)

                Bron: sittard-geleen.nieuws.nl

                  Datum:

                  Voornaam:

                  Achternaam:

                  Adres:

                  Postcode:

                  Plaats:

                  E-mailadres:

                  3 laatste cijfers bankrekening:

                  Noodzakelijk om misverstanden bij dubbele namen te vermijden

                  Aantal exemplaren:

                  Levering:

                  Het versturen van dit contactformulier kan een paar seconden duren.

                  SJRIEFWIEZER
                  Wilt geer gaer goud Zittesj sjrieve, numt dan
                  kóntak op mit De Willy Dols Stichting, die
                  hulp uch mit alle plezeier op waeg.

                  Gaot nao De Sjriefwiezer es ‘t goud Zittesj mót zeen. De Willy Dols Stichting hulp uch gratis op waeg nao ‘n modern Zittesje sjriefwies.

                  De Sjriefwiezer!
                  Es ‘t óm de richtige Zittesje sjpelling geit!
                  De Willy Dols Stichting
                  Es ‘t óm taal en teks in ‘t Zittesj geit.......

                  En womit zouwe veer uch kènne helpe ?
                  Dènk èns aan 'n teks van :
                  'n trouwkaart
                  'n gebäörtekaertje
                  'n gedachtenisprèntje (dodeprèntje)
                  'n program(-ma) buikske
                  'ne breif
                  'n gedich/ 'n leidje
                  'n verhaol

                  Höbt geer vraoge euver 't ein of anger, num dan gerös kóntak mit ós op via de e-mail of bel (046) 4517203
                  Steuntje
                  Hulp neudig bie 't sjrieve van 'n songtekst, gedich of sms'je in 't Limburgs? Dees basistips kènt me toepasse op de meiste Limburgse dialekte.

                  Download hie 't Steuntje es PDF »
                  Deze website is mede gefinancierd door: