’t Gruin Buikske van ’t Zittesj (Herziene Editie). Willy Dols Stichting, 2025.
Heijden, Louis van der. Sittardse spreekwoorden, uitdrukkingen, gezegden en benamingen. Werkgroep Zitterd, 2022.
Hochstenbach, A. Vruiger bie ós thoes. Willy Dols Stichting, 2016
Laheij-Diederen, Els en Riky Simons-Julicher (sam. en red.).
Verhäölkes in ’t Zittesj.
Commissie Volkscultuur van Veldeke Limburg in samenwerking met Stichting Pit en Veldekekring Zitterd
(als vertalers van een aantal verhäölkes).
Wits te waat'r zaet? Willy Dols Stichting, 2019.
Walraven, Frans. “Respecteier dien taal”.
Respecteer dien taal………..(34) Een b met een streepje: ƀ? Een gestreepte b dus??
Respecteier dien taal….. (nr. 35)
Een b met een streepje: ƀ? Een gestreepte b dus??
Als u goed kijkt, dan ziet u inderdaad de letter b met een streepje. Ja, dat is de zogenaamde gestreepte b.
Een voor ons onbekend teken. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het niet bestaan heeft. Nu, dat is wel het geval: in het (Oud-) Germaans namelijk.
Het probleem zit ‘m namelijk in de uitspraak. Dit teken wordt ongeveer uitgesproken als een combinatie van een brede b en een w. In o.a. het Spaans komt deze combinatie nog voor, maar niet de ƀ. Zo zegt men niet Valencia (met een v dus), maar een vorm van de b en de w/v samen.
In de taalhistorie heeft dit teken met zijn bijzondere uitspraak zich niet kunnen handhaven. Het heeft zich gesplitst in twee aparte tekens, nl. een b en een v/f. in het Duits gaat de voorkeur uit naar de b, in het Nederlands naar v/f. Maar zult u zich terecht afvragen: “Wat heeft dat nu met ons Sittards te maken?”
Laten we de feiten voor zichzelf spreken aan de hand van een aantal voorbeelden.
Duits Sittards Nederlands
Lieb leif/leive lief/lieve
Glauben geluive geloven
Dieb(e) deif/deive dief/ dieven
Taube doef/doeve duifduiven
Schreiben sjrieve schrijven
Beben baeve beven
Oben baove boven
Serbien Servië Servië
Graben gaeve geven
Knoblauch knoflouk knoflook
Kalb /Kälber kawf/kawver kalf/ kalveren
Loben -.-.-.- loven
Halb(e) hawf/hawve half/halve
Weib/ Weiber wief/wiever wijf/ wijven
Räuber ruivesj rover (-s)
Sterben sjterve sterven
Bleiben blieve blijven
Sterben sjterve sterven
Herbst herfs herfst
Übel (euvel) euvel
Ab- af- af-
Nebel nevel nevel
Leben laeve leven
Abteilung aafdeiling afdeling
Wat ons opvalt, is het gegeven dat het Sittards niet aansluit bij het Duits. ...
F.W. ; febr. 2020.
Respecteier dien taal……..(nr. 33; sept.2019)
Een nogal “springerige” – r –.
Het is zomeravond: een lange warme avond op een terrasje met een drankje…heerlijk ontspannen. Om je heen het rustige geroezemoes van mensen die ook zitten te genieten van dit heerlijk moment.
Een tik op mijn schouders haalt me snel uit mijn luie overpeinzingen. De vraag zalige zomeravond? De aanleiding is een gesprek in het Sittards achter me waarin iemand het woord “driede” gebruikte. Dat moest natuurlijk zijn “derde”! of niet soms? Welles/nietes!! U kent dat ongetwijfeld wel…
Hoe is nu eigenlijk de taalkundige situatie? We verdelen de getallen in (bepaalde) hoofdtelwoorden (2 – 3 – 12 – 27….) en rangtelwoorden (eerste – zevende – twintigste…).
Hoe worden die laatste nu gevormd? De getallen 1 tot en met 19 worden – met uitzondering van eerste – achtste – ) gevormd door het basiswoord + de uitgang –de. Dus: twee+de; drie+de; vier+de; zeventien+de. Vanaf 20 worden de rangtelwoorden gevormd door het basiswoord + de uitgang –ste. Maar er is iets vreemds aan de hand: naast drie-de heeft zich ook der-de gevormd. Dat laatste nu is in de Standaardtaal als norm opgenomen. In dialecten daarentegen hoort men nog vaak de originele vorm: drie-de. Dus: driede en derde kunnen uitstekend naast elkaar voorkomen
Maar wat is er in feite gebeurd? We zien dat de –r- verspringt, van plaats verandert: van vóór de klinker naar achter de klinker (en omgekeerd): dRiede > deRde. Typisch Sittards? Nou nee, het is een algemeen bekend verschijnsel: de verspringing van de –r- rond een klinker. Officieel wordt dat r – metathesis genoemd.
We geven wat voorbeelden: eerst Nederlands – Limburgs en vervolgens Nederlands – andere talen.
Limburgs Nederlands
dRiede deRde
peRcent procent
KRismis KeRstmis
fibbeRwuari febRuari
peRficiat PRoficiat
bRon BoRn
VlodRop VlodoRp (niet meer bekend)
BRos boRst
sikkeRtaris secRetaris
peRcessie pRocessie
tRukzjweit tüRkische Weizen (oude benaming voor maïs)
Nederlands andere taal
kikvoRs der FRosch
peRs die PResse
-gaaRd -gRad (omheinde plaats)
wRat die WaRze; waRt (Eng.)
Ros hoRse
bRanden to buRn
godsvRucht die FuRcht
woRstelen to wRestle
spReeuw spaRRow (mus!!)
boRst die Brust
U ziet, het zijn slechts enkele voorbeelden. Wellicht heeft het een ander uw interesse gewekt en gaat u zelf op zoek. Wie weet wat u nog ontdekt….
Maar een vraag: als u nog duidelijke voorbeelden gevonden heeft, geef die dan a.u.b. even door: fag.walraven@ziggo.nl.
Alvast mijn dank!!
F.W. (Sittard, 24 sept. 2019)
2018
Mei 2018! En nu nog met als thema 2018. Alsof het jaar pas begonnen is! Nou, dat is het natuurlijk niet, maar de lentetijd is een prima gelegenheid om nieuwe ideeën te ontwikkelen. De natuur is nu op zijn mooist, de bloemen verrassen ons met hun lentekleuren, al het groen is nog fris en mals.
Een tijd dus voor verfrissende ideeën en tegelijkertijd een fase voor bezinning. Hoe gaan we in het voor ons liggende jaar al dat nieuwe vorm en inhoud geven?
Goed, er is alweer van alles gebeurd: we vierden carnaval en Pasen. Er waren gemeenteraadsverkiezingen en als gevolg daarvan werd/ wordt er her en der getimmerd aan een nieuw bestuurscollege. Voor de gemeente Sittard-Geleen betekent dit dat we te maken krijgen met een lapjeskat-coalitie.
En verder…..? Wel, 2018 lijkt een heel bijzonder interessant jaar te worden. Zetten we eens een aantal zaken op een rij.
Het Limburgs op Europees niveau erkend als streektaal
Zoals u als lezer van deze columns wel weet, is het Limburgs (met al zijn variaties: de dialecten) in 1997 op nationaal niveau erkend als streektaal volgens de richtlijnen en normen van het Europees Handvest voor streektalen en talen van minderheden (Straatsburg, 1993)
Die officiële erkenning, een mijlpaal dus, was het vorig jaar , 2017 dus, 20 jaar geleden. Maar in onze provincie heeft geen enkele organisatie of medium daaraan aandacht besteed.
In 1998 hadden voldoende Europese landen het Handvest geratificeerd, zodat het effectief in werking kon treden. Maar dat betekende óók dat de nationale streektalen nu eveneens op Europees niveau erkend werden als streektaal. Dat is dus dit jaar, 2018, ook weer 20 jaar geleden!
We wachten de reacties rustig af…..
Beleidsnota Provincie Limburg
In 2017 heeft er in Deventer een uiterst interessant congres plaatsgevonden rond het thema van de positie van de streektalen ( het Fries, het Neder-Saksisch en het Limburgs) binnen het Nederlands taalgebied. Zoals u eerder hebt kunnen lezen, is dit congres uitermate belangrijk geweest, omdat toen de positie van de streektalen opnieuw geformuleerd is. Een heel belangrijk gegeven, omdat de Nederlandse Taalunie, een adviescollege voor de regering, de streektalen – ook wel regionale talen genoemd – uitsluitend wilde zien als deel van het Nederlands en daaraan dus min of meer ondergeschikt. Dat zou betekenen dat de eigenheid van deze talen, zoals vastgelegd in het eerder genoemde Europees Handvest niet zonder meer geaccepteerd wordt, sterker nog, die zou duidelijk ter discussie gesteld worden!! Hiertegen is terecht geprotesteerd door taalkundigen uit het Friese, het Neder-Saksische en Limburgse taalgebied. (u kunt de tekst van deze brief nalezen op de website van de Willy Dols Stichting, maart 2018, met als titel: De positie van de erkende regionale talen in Nederland (Visie van de Nederlandse Taalunie op ós sjtreektale).
Een van de sprekers op dit congres was onze gedeputeerde voor o.a. cultuur, de heer G. Knoops. Hij kondigde toen aan dat er in het voorjaar van 2018 een uitgebreide nota zou verschijnen over de positie van het Limburgs in deze tijd. Bovendien zou deze visie vertaald worden in een beleid om die positie te verstevigen.
Tot nu toe, mei/juni 2018, is die nota nog niet verschenen. We houden u op de hoogte……
Een zilveren jubileum: 1993 – 2018
De zaken lopen zoals ze lopen, maar daarbij realiseert men zich doorgaans niet hoe groot het tijdsbestek van het een en ander kan zijn! Nu, dat is in ons geval de cursus Sittards: “ Lezen en Schrijven” / “ Taal en Teks”, die ik (F.W.) op eigen initiatief begonnen in 1993 ben en die voortduurt tot de dag van vandaag!
Heel wat honderden cursisten heb ik in die jaren kennis mogen laten maken met het taaleigen en de klankleer van het Sittards. Een bijzonder aangename en interessante bezigheid, mag ik na al die jaren wel zeggen!! En we gaan gewoon door…… de eerstvolgende cursus staat al weer gepland voor het komend najaar: einde september/begin oktober.
Het doel van deze cursussen was en is het eigen dialect te zien en beleven als een modern, volwaardig taalsysteem. Dat betekent dat de eigenschappen en structuur van die taal centraal staan, m.a.w. we kijken verder dan alleen maar de oppervlaktestructuur.
Het cursusaanbod kan in twee gedeelten worden gevolgd. In het eerste deel, de z.g. basiscursus staan vooral lezen en schrijven centraal. In de vervolgcursus komen meer specifieke taalkwesties aan bod met de daarbij horende noodzakelijke toelichting.
Wilt u over deze cursussen geïnformeerd worden, volg dan de berichtgeving hierover vanaf augustus/september op onze website of neem even telefonisch contact op.
Een nieuwe voorzitter
Begin dit jaar heeft er binnen Veldeke Limburg een belangrijke bestuurswisseling plaatsgevonden: voorzitter Lei Pennings maakte plaats voor mevrouw mr. Christine van Basten-Boddin, burgemeester van Beek.
Inderdaad, u leest het goed: het is voor het eerst in de geschiedenis van de ruim 90-jarige vereniging dat een vrouw de hoogste functie bekleedt.
Het is een boeiende, maar ook veeleisende functie die daarnaast heel wat erkentelijkheid met zich meebrengt, zoals ik zelf heb mogen ervaren. We wensen de nieuwe voorzitter natuurlijk heel er veel succes en we twijfelen er niet aan dat het haar zal lukken Veldeke Limburg weer meer in het grote centrum te plaatsen.
Natuurlijk zal een nieuwe voorzitter te maken krijgen met allerlei ideeën en voorstellen die aangedragen worden. Zo heeft ieder die zich met de regionale taal bezighoudt zijn wensen. Welke de mijne zijn…..? in een volgende column komen we hierop graag terug.
F.W.; mei/juni 2018
e Vastenavond (Vastelaovend) is al weer geruime tijd voorbij.
Oorspronkelijk was het de avond vóór het begin van de veertigdaagse Vasten, de bezinningstijd in het kader van Pasen. Die dinsdagavond (Mardi Gras = ”vette” dinsdag) werd er nog eens stevig feest gevierd, want vanaf de volgende dag, Aswoensdag, was het ”kale sjmale”: een tijd van bezinning en van eenvoud in eten en drinken.
Maar deze vasten-avond is inmiddels uitgegroeid tot een ware happening die niet alleen enkele dagen duurt, maar – met alle voorbereidingen erbij – verschillende maanden. Een echt feest dus, dat als kern heeft ”Spass an der Freud(e)”.
Maar dan komt toch onherroepelijk Esjelegounsdig, Aswoensdag. De carnavalstijd is dan voor dat jaar voorgoed voorbij:
”t Maske lik verzawweld en ’t loert ós nog èns aan,
gedaon is noe de sjpas, dao lik de sjluppejas….”
Het is de dag van het askruisje (’t esjekrutske) en daarna mogelijk even ”d’n hering biete”, een traditie die helaas zwaar onder druk staat.
Nu alle ta-ta- – boems en confetti verdwenen zijn, komt ook het moment om eens terug te kijken, om eens een balans op te maken.
Het is ook het feest waarin de eigen taal, het dialect, een wel heel bijzondere rol speelt, want zonder die eigenheid wordt dit feest toch niet als typisch voor die stad of dat dorp gezien. En een levende traditie is een wezenlijk aspect van de eigen identiteit en daartoe rekent men vooral de eigen taal, het dialect.
Maar de relatie carnaval – dialect is van een geheel eigen orde. Doorgaans namelijk zijn de geschreven of gesproken teksten van een eenvoudig niveau, staan ze bol van verbleekte clichés. Van taalcultuur in engere zin is dan ook doorgaans nauwelijks sprake. Soms duikt er een verrassende taalvariatie op. Zo stond er in de tekst van de basisschool ” De Sjtadssjool”, een terechte winnaar van de finale van het K.V.L. 2018 in Reuver, een bijzonder geslaagde woordspeling. Er wordt gesproken over ”eine topvastelaovend” als waardeoordeel, maar ook over een hele grote vastelaovend: einen top vol! Hopelijk zet dat tekstschrijvers aan het denken en gaan ze, meer dan tot nu toe het geval is, kritischer om met hun teksten.
Er moet echter opgemerkt worden dat er in het Sittardse toch een duidelijk positieve ontwikkeling te constateren is. Bij herhaling – zo merk ik – wordt er bij het schrijven van carnavalsteksten teruggegrepen/verwezen op/naar ’t Gruin Buikske van ’t Zittesj.
Voor velen is dat intussen de norm voor de standaardspelling van het Sittards geworden. Ook wordt er steeds vaker een beroep op de Willy Dols Stichting gedaan voor informatie in verband met het Sittards. En dat niet alleen in de tijd van carnaval, maar ook op andere momenten zoals bij een geboorte, een jubileum, een overlijden.
Maar in het Sittardse zijn er rond carnaval toch merkwaardige en in feite onacceptabel grote verschillen in het dialectgebruik te constateren. Consequent, maar volledig verouderd, staat er op de wimpels van de jury ”groote waages” in plaats van het normale ”grote wages”. Ook wordt er o.a. nog geschreven ”resepse”,”insjtelase” en ”informase”, alsof er geen standaardspelling bestaat!
Wie zich daarnaast de moeite wil nemen om het optochtreglement te lezen, zal ronduit verbaasd zijn over het merkwaardige, zelfs bizarre taalgebruik en de spelling van het Sittards. De auteur(s) ervan geeft/geven blijk geen of nauwelijks enige notie te hebben van het taaleigen en de spelling van het Sittards. Is hier sprake van onwetendheid, kortzichtigheid of wellicht eigengereidheid? In feite kan zoiets niet door de beugel; het is zonder meer onacceptabel. Geen enkele zichzelf respecterende organisatie immers kan zich een dergelijke situatie in feite permitteren.
Maar in de Sittardse carnavalswereld treffen we ook een heel andere situatie aan. Nemen we als voorbeeld De Pappegey, de carnavalskrant van de Sittardse Marotte. Zoals iedereen wel heeft kunnen opmerken is het taalgebruik en de schrijfwijze de laatste jaren duidelijk verbeterd. Teksten als die van Vorst Marot Frits I en van Prins Léon I zijn zonder meer goed verzorgd, geschreven met respect voor de eigen taal. Maar ook bijvoorbeeld de uitgave van de carnavalsvereniging De Narre uit Overhoven em>Klatsj en Kal heeft in dit opzicht een heel positieve ontwikkeling doorgemaakt.
Het kan toch natuurlijk niet zo zijn dat er in het Sittardse verschillende wijzen van benadering zijn van de eigen taal. En zeker niet als het twee organisaties betreft die zo’n grote rol spelen binnen de plaatselijke carnavalswereld. Laten we daarom nog maar eens een aantal zaken op een rij zetten.
Als alle carnavalsteksten in het Nederlands geschreven zouden zijn, dan denk ik dat we duidelijk een grote uniformiteit zouden bespeuren in zowel het taalgebruik als de spelling. Uiteraard, want dit is immers Nederlands! En als diezelfde teksten in, laten we zeggen, het Engels, het Frans of het Russisch geschreven zouden worden, dan zou men toch echt alle moeite doen om dit zo correct mogelijk te vertalen. Toch??
En nu het eigen dialect. Wat is er principieel anders? Goed, het taalgebied is ”wat” kleiner, maar het dialect blijft een taal met (nog maar eens!) haar taaleigen en klankleer (en het daarbij horende spellingsysteem).
Conclusie: schriftelijk dialectgebruik doet niet onder voor welk ander taalsysteem ook.
Het ligt dus voor de hand: Respecteier dien taal…….
F.W. (febr./mrt. 2018)
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
1997 – 2017: ’t Limburgs 20 jaar erkend als streektaal
Het is in deze tijd van het jaar gangbaar om een soort balans op te maken over het afgelopen jaar. Hoe is het een en ander verlopen? Wat was er positief, wat negatief? Tegelijkertijd worden hoopvolle verwachtingen uitgesproken voor het nieuwe jaar. Ook in deze column geef ik daarom graag mijn visie op de positie van onze streektaal, het Limburgs, in de voorbije periode(n).
In 1993 legde de Raad van Europa in Straatsburg zijn visie op de positie van de streektalen in Europa vast in een handvest. Algemeen was de mening van de leden van deze Raad dat men zich meer moest inzetten om deze te behouden. Het standpunt van de Raad was dat deze talen immers behoren tot het onvervreemdbaar cultureel erfgoed van Europa. Deze visie werd tenslotte uitgewerkt in het Europees Handvest voor de streektalen en talen van minderheden.
Deze specifieke en moderne opvatting sprak het toenmalige hoofdbestuur van Veldeke Limburg bijzonder aan, gelet op zijn eigen pas ontwikkelde visie op onze dialecten, die gezien werden als volwaardige en eigentijdse taalsystemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vereniging zich ging inzetten om ook de erkenning als streektaal voor het Limburgs te bewerkstelligen.
Juridisch gezien kan een aanvraag tot erkenning slechts ingediend worden door de Provincie Limburg en niet door een vereniging. In een uitstekende samenwerking met Veldeke Limburg kon de Provincie Limburg het voorstel tot erkenning als streektaal op nationaal niveau aan Provinciale Staten voorleggen. En dan gebeurde iets heel speciaals: Alle fracties steunden unaniem het voorstel (1996). In februari 1997 wordt het Limburgs door Binnenlandse Zaken officieel erkend als streektaal (net als het Neder-Saksisch). De ontwikkeling gaat echter nog veel verder: in 1998 treedt het eerder genoemde Handvest in werking, doordat nu voldoende staten het geratificeerd hebben. Dit heeft voor het Limburgs verstrekkende gevolgen: het wordt nu ook op Europees niveau erkend als streektaal!
De euforie over deze erkenning is enorm: de media komen handen en krachten te kort om deze erkenning te prijzen. De tijd is dan ook bijzonder gunstig om in het kader van deze erkenning stappen te ondernemen. Zo verschijnt op verzoek van de Provincie een plaatsnamenlijst in het Limburgs. Daarnaast roept de Provincie naast een officiële streektaalfunctionaris ook een raad van advies in het leven: de Raod veur ’t Limburgs. Bovendien wordt, geheel in de geest van het Handvest, de spelling van het Limburgs opnieuw bestudeerd en zo nodig aangepast: Spelling 2003 van de Limburgse dialecten. Zij wordt nu algemeen gezien als de standaardspelling voor het Limburgs. Instellingen als Veldeke Limburg en de Raod veur ’t Limburgs conformeren zich aan deze herziene spelling.
Maar nu zijn we 20 jaar later. Hoe is de situatie nu? Algemeen mag verwacht worden dat er met een zekere tevredenheid wordt teruggekeken op het geheel van ontwikkelingen in al die jaren . Niets is minder waar. Nee, een spetterend vuurwerk hoeft het niet per se te worden, maar het is in onze provincie wel erg opvallend stil gebleven! De euforie van toen is langzaam maar zeker weggeëbd om plaats te maken voor een beklemmende stilte. Het is net of de verfrissende wind over het Limburgse taallandschap in de jaren negentig verzwakt is, zo niet (soms) is gaan liggen.
Kijken we eens naar die instellingen waarvan men een reactie zou mogen verwachten.
De Provincie zelf heeft in het geheel niet gereageerd op dit 20-jarig jubileum, niet in de Staten, niet in enige manifestatie. Maar ook van Veldeke Limburg is er geen enkele actie ondernomen, noch provinciaal, noch in de afzonderlijke kringen! Een alleszins veeg teken! Natuurlijk zijn er door de provincie heen allerlei min of meer leuke activiteiten georganiseerd geweest in die tijd, maar of die serieus bijdragen aan ”het behouden en bevorderen van de streektaal” is maar zeer de vraag. Om dat doel alleszins redelijk te realiseren zal toch een andere weg bewandeld moeten worden!! (we zullen hierop nog nader terugkomen).
Ook van de politieke partijen die zich vroeger (1996) zo positief opstelden, hebben we geen enkele weerklank gehoord. Sterker nog: in geen enkele beleidsnota van welke partij dan ook wordt gesproken over onze streektaal en een daarbij horend beleid. En dat op provinciaal niveau! Maar ook op lokaal niveau ontbreekt, voor zover ik heb kunnen constateren, een visie op een regionaal/lokaal taalbeleid. Het begrip ”streektaal/dialect” wordt zelfs nergens genoemd! Ook die partijen zullen hun verantwoordelijkheid op dit punt toch weer moeten nemen!
Men mag zich in alle gerede intussen afvragen wie in onze provincie nog weet dat het Limburgs als streektaal erkend is, zowel op nationaal als Europees niveau. De vraag naar het wat en hoe van het een en ander kan men, gelet op deze context, beter niet stellen.
Hoe het ook zij, er zal opnieuw veel, heel veel werk verzet moeten worden om weer een brede provinciale belangstelling te wekken voor dit typische eigen cultuurgoed. Men zou in dit kader zelfs kunnen spreken van ”ernstig achterstallig onderhoud.
Zal 2018 dan toch een nieuw uitgangspunt gaan vormen? De eerste tekenen duiden daar wel op: gedeputeerde Koopmans heeft aangekondigd in het voorjaar een beleidsnota met een nieuw beleid op dit terrein te laten verschijnen. Wachten we hoopvol af, maar een nieuwe visie moet wel door alle betrokkenen gedragen en gerealiseerd worden. Het is daarbij van belang een zo breed mogelijk discussie te voeren met alle belanghebbenden, onder meer met de Vereniging voor Limburgse dialect- en naamkunde, die al meer dan 40 jaar de enige vereniging is die het Limburgs in al zijn facetten bestudeert. Bovendien moet het nieuw geformuleerde beleid vorm en inhoud geven aan het uitgangspunt van het Europees Handvest.
Een bezinning op hierop lijkt me niet meer dan een noodzakelijk uitgangspunt.
De pre-ambule (nr.25) van het Handvest wijst overduidelijk in die richting:
“Het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, teneinde hun gemeenschappelijk erfdeel en idealen te bevorderen. De verscheidenheid aan talen is één van de meest kostbare bestanddelen van het Europees cultureel erfgoed. Een Europese culturele identiteit ontstaat niet door de invoering van een standaardtaal.
Integendeel, met het beschermen en versterken van de traditionele streek- en minderheidstalen levert men een bijdrage aan de opbouw van Europa, die, overeenkomstig de idealen van de leden van de Raad van Europa, slechts kan zijn gegrondvest op pluralistische beginselen.”
F.W. (dec. 2017)
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
’t Jaor van de dialekte (5)
Onlangs werd de viering van het 90-jarig bestaan van de Vereniging Veldeke Limburg dat in het teken stond van ’t Jaor van de dialekte afgesloten.
En zoals het normaal is om na een belangrijk evenement te evalueren, zal dat uiteraard ook in deze column het geval zijn. Dit jubileumjaar mag zeker gezien worden als een jaar met nogal wat hoogtepunten. Maar helaas blijft er toch nogal ruimte voor een kritische beschouwing.
1.De openingsavond.
De openingsavond van dit jubileumjaar in Roermond (februari 2016) kon rekenen op een grote belangstelling van mensen uit allerlei geledingen en instellingen in de provincie. Een wel heel bijzonder punt was het gegeven dat onze gouverneur, de heer Th. Bovens, benoemd werd tot beschermheer van de vereniging. In zijn toespraak, aansluitend aan de aanvaarding, gaf hij, uiteraard in zijn eigen dialect, het Maastrichts, duidelijk zijn visie op het te volgen taal- en cultuurbeleid. Deze lezing is overigens integraal opgenomen in het Jaarboek 2016 van de vereniging dat onlangs verschenen is.
Duidelijk niet geslaagd was het cabaret van die avond dat over het algemeen onder de maat was en zeker niet paste bij het niveau van de jubilerende taal- en cultuurvereniging. Volgens plan zou dit cabaret een tournee maken langs de Veldeke-kringen, maar dit is niet gebeurd, zoals te verwachten was.
In Sittard daarentegen kregen we, in plaats van het zojuist genoemde cabaret, een culturele middag aangeboden rond de persoon Reubsaet. Een sterk nostalgische voorstelling, dat wel, echter qua teksten, zang, muziek en voordracht een bijzonder hoogstaande uitvoering.
Op de openingsavond van het jubileumjaar werd ook een studie over 90 jaar Veldeke gepresenteerd, geschreven door de historicus Luc Wolters, in opdracht van de vereniging. Het boek dat rijkelijk geïllustreerd is, biedt een uitstekend overzicht van 90 jaar verenigingsgeschiedenis met alle onvermijdelijke ups en downs in al die jaren. In feite een unieke uitgave!
In de praktijk echter blijkt dat de interesse onder de leden bedroevend te noemen is: er is nauwelijks belangstelling voor deze uitgave! Iets wat zonder meer jammer te noemen is, gezien de kwaliteit van deze studie. Maar bovendien lijkt het me een financiële strop: een bijzondere en kostbare uitgave blijft in de verpakkingsdozen zitten. Toch een onjuiste en dure inschattingsfout gemaakt!?
2.Het Jubileumcongres.
In het kader van dit feestjaar werd er een taalkundig congres van Veldeke Limburg en de VLDN (Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde) georganiseerd. En met recht een jubileumcongres: Veldeke Limburg bestaat dan 90 jaar en de VLDN 40 jaar. De dag bood een programma met zeer interessante onderwerpen die op hoog niveau besproken werden door bekende taalkundigen. Veel aanwezigen moeten genoten hebben van de vaak verrassende analyses. De middag werd in het kader van de volkscultuur “speels” afgesloten door een zanggroep. Het niveau ervan was echter behoorlijk naïef: waarom toch ook nu weer zoveel “volks” en zo weinig “cultuur”??
Vergelijken we dit congres met het laatste gemeenschappelijke congres in Rolduc (2001!!), dan valt op dat er, in 2016, een derde belangrijke euregionale partner, het LVR-Institut für Landeskunde und Regionalgeschichte uit Bonn, nu niet aanwezig was, want niet uitgenodigd. Een alleszins gemiste kans!!
3.Congres rond het Limburgse Woordenboek.
In december 2016 vond er in Venlo een buitengewoon interessant congres plaats rond de digitalisering van het Woordenboek van de Limburgse dialecten. Een welgevulde studiedag waarop allerlei facetten ter sprake kwamen rond de problematiek bij het opzetten van een woordenboek in een plaatselijk dialect. Op duidelijke en intrigerende wijze werden (basis-) problemen belicht, geanalyseerd en werden duidelijke adviezen gegeven hoe het een en ander te vermijden of op te lossen. Een zeer boeiende dag!!
Maar ook nu kom je weer dezelfde mensen tegen die je ook op andere congressen ontmoet. Juist diegenen die als amateur zich bezig houden met woordenboeken of –lijsten ontbreken op dergelijke bijeenkomsten. Het zijn nou net diegenen die deze informatie broodnodig hebben willen ze uiteindelijk een serieuze bijdrage kunnen leveren aan het hedendaagse Limburgs. Het is daarbij verheugend te constateren dat bepaalde Veldeke-kringen vrijwel steeds aanwezig zijn (o.a. de Kring Echt), terwijl andere daarentegen helaas nooit enige blijk van belangstelling geven.
4.Standaardwerk over literatuur.
Geen onderdeel van het jaarprogramma, maar toch een heel bijzondere uitgave! Het LGOG (Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap) heeft een standaardwerk laten verschijnen onder de titel Geschiedenis van de literatuur in Limburg, onder redactie van Lou Spronck, Ben van Melick en Wiel Kusters. Een boek waarop we lang hebben gewacht! Het geeft een indrukwekkend overzicht van alle Limburgse auteurs of ze nu in het Limburgs schrijven of juist in het Nederlands. Deze studie zou eigenlijk bij niemand die geïnteresseerd is in cultuur mogen ontbreken!
5.Psalmvertalingen.
Begin april van dit jaar verscheen een “hertaling” van psalmen en het Hooglied, geschreven in het dialect van Nuth, van de hand van Colla Bemelmans onder de titel Ouw leedjes vuur noe. Colla noemt zichzelf “ ‘ne waesje”, en dat is in zijn werk duidelijk te merken: vanuit zijn optiek worden de teksten op eigen-wijze benaderd en geïnterpreteerd. Een absolute aanrader!
Helaas duidelijk minder aandacht kreeg de psalmvertaling van de benedictijn Jan Smeets. Een polyglot, want hij beheerst maar liefst 11 talen, waaronder het Hebreeuws. En het is nu juist vanuit deze specifieke taalkennis dat hij de eerste 16 psalmen vertaald heeft in zijn moedertaal: het Roermonds. Deze uitgave is verkrijgbaar via de Veldeke Kring Roermond.
Deze vertaling kan bovendien gezien worden als een verrijking van de positie van het dialect in het algemeen: vertalen op hoog niveau in je eigen streektaal!
Het valt op dat er in dit jubileumjaar naast alle belangstelling voor de literaire aspecten van onze streektaal nergens gesproken wordt over de specifieke taalkundige kant van onze taal. Het lijkt erop dat daarvoor beleidsmatig weinig of geen belangstelling bestaat. Vergeten daarbij wordt dat de basis voor het taalbehoud dan wel heel erg smal wordt, want echte kennis van o.a. taalkunde en klankleer ontbreekt dan ten enenmale!
In onze volgende column zullen we hier nader op ingaan.
F.W. (april 2017)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Woróm sjrif me dat zo….? (vervolg)
De erkenning als streektaal: 20 jaar
In de maand februari van dit jaar gedenken we wel een heel bijzondere gebeurtenis die heel erg belangrijk is voor onze dialecten.
Het was toen 20 jaar geleden dat het Limburgs (de verzamelnaam voor al onze dialecten) op nationaal niveau officieel erkend werd als streektaal volgens het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden. Zonder meer een hoogtepunt in de emancipatiestrijd van tientallen jaren dialectbevordering. In 1998 werd de status van onze dialecten nog verder verhoogd: het Limburgs werd toen op Europees niveau erkend als streektaal, d.w.z. dat onze streektaal gezien wordt als onvervreemdbaar Europees cultuurgoed.
Spelling 2003 van de Limburgse dialecten
Aan deze erkenning zijn natuurlijk ook een aantal verplichtingen verbonden. Daartoe wordt onder meer een standaardisering van de spelling gerekend. Dat gegeven en de toepassing ervan vormen nu de kern van deze column. Voor onze provincie betekende dit dat een werkgroep van enkele taalkundigen in een studie van enkele jaren opnieuw een inventarisatie van de complexe klankleer van het Limburgs maakte. Vervolgens werden de bevindingen vertaald in een alleszins duidelijk hanteerbaar systeem: de Spelling 2003 van de Limburgse dialecten.
Dit overzichtelijk en consequent spellingssysteem werd door de Vereniging Veldeke Limburg en de Raod veur ’t Limburgs overgenomen als de standaardspelling van onze dialecten. Voor Veldeke betekende dit dat deze spelling gezien werd als de normspelling voor de vereniging. Een in feite juiste visie: een goed gestructureerde en gemakkelijk te leren schrijfwijze voor onze dialecten. De bedoeling achter dit besluit was dat alle kringen (“afdelingen”) deze zouden gaan hanteren.
Stand van zaken
Helaas moeten we constateren dat dit beleid niet het gewenste effect heeft opgeleverd. Teveel nog wordt er vastgehouden aan verouderde, reeds lang achterhaalde en vaak inconsequente systemen die als de ware schrijfwijze worden gezien voor de “richtige” dialecten!
“Vroeger” is het kernbegrip in het taalbeleid van nogal wat kringen. Nostalgie voert de boventoon, maar kennis van het “nu” ontbreekt grotendeels. Wat de hele kwestie nog pijnlijker maakt is het gegeven dat men zich niet of nauwelijks op de hoogte stelt van de huidige stand van zaken.
Uit gesprekken blijkt ieder keer weer opnieuw dat men zich niet de moeite neemt om zich eens te verdiepen in die “nieuwe” spelling. Kortom, men kent ze niet, maar toch wordt er een negatief oordeel uitgesproken om dan vervolgens – zoals gezegd- vast te blijven houden aan een vroegere, reeds lang afgesloten periode. Een visie die men vooral in de carnavalswereld aantreft.
Ter illustratie een voorbeeld uit het reglement van de grote optocht in Sittard.
2: D’n tittel:
Hauwd deeze kort en kreftig: dit kump ten gouwe van eure nòmmer: òm mit mee weurd euren tittel te òngersjteune kènt geer via de site gebroek make van d’n teks in ’t digitale programmabuikske.
4: Teks in ’t programmabuikske:
D’n teks in ’t buikske wurd maksemaal 4 reegels: de redaksie hildj zich ’t rech veur d’n teks aan te passe en in te korte: wilt geer gaaroets geinen teks in ’t buikske, dan deint geer dit dao aan te gaeve.
5: Rizzerveiering van einen tittel:
Tillefoonies en/of mònjelinge rizzerveiering is neit muigelik: geer kènt waal tillefoonies bie de optochsaamesjtèller infermeiere of eur iedee of tittel in eur kattegrie al offesjeel is opgegaeve.
Beperken we ons in het kader van deze tekst tot de spelling. We moeten helaas constateren dat de auteur van deze tekst niet of nauwelijks op de hoogte is van de standaardspelling van het Limburgs. En, hoe men de zaak ook keert of wendt, deze spelling is een vast gegeven, net zo goed dat er een standaardspelling voor o.a. het Nederlands is.
Geschreven volgens de spelling voor het Limburgs ziet de tekst er als volgt uit:
2. D’n titel:
Hawt deze kort en kreftig (?); dit kump ten gouwe (Sittards????) van (??) eure nómmer: óm mit mee(r) weurd euren titel te óngersjteune …
4. Teks in ’t programmabuikske
D’n teks ….wurt maximaal 4 regels; de redactie hiltj ……
5. Reserveiering van einen titel:
Telefonisch en/of mónjelinge reserveiering is neit muigelik: geer kènt waal telefonisch bie de optochsamesjtèller informeiere of eur idee of titel in eur categorie al officieel is opgegaeve.
Dit soort taalgebruik en de wijze van spelling kan men ook veelvuldig aantreffen in het programmaboekje of op carnavalsaffiches. Woorden als insjtela(a)sje en resepse zijn niet meer van deze tijd.
Positieve ontwikkeling
Is het nu werkelijk alleen maar kommer en kwel met de carnavalsteksten? Nee, gelukkig zijn er ook positieve signalen. Zo kan men constateren dat De Pappegey, de officiële carnavalskrant in Sittard, duidelijk vanuit de achtergrond gecorrigeerd wordt waarbij de spelling zo nodig in overeenstemming gebracht wordt met de bekende standaardspelling van het Limburgs.
De algemene reactie van de doorsnee lezer is dat de tekst nu gemakkelijker gelezen kan worden. Voor insiders is dat zeker niet verwonderlijk!
Bovendien blijkt dat ook verschillende carnavalsverenigingen wel hun teksten en programmaboekjes laten controleren door taaldeskundigen. Deze verenigingen immers zijn van mening dat taalverzorging in brede zin een wezenlijk aspect is van hun cultuur.
Een voorstel
De oplossing voor deze, in wezen onaanvaardbare, situatie is eigenlijk simpel: de desbetreffende organisaties zouden hun dialectteksten vóór publicatie moeten voorleggen aan een kleine groep deskundigen die op de achtergrond adviezen kunnen verstrekken. Dat betekent dat sommige groeperingen over hun eigen schaduw heen zouden moeten stappen.
Dit nu zou een echte doorbraak betekenen in belang van het Sittards en zijn toekomst.
F.W.; maart 2017
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Woróm sjrif me dat zo…..??
Het is nu de tijd rond carnaval. Vastelaovend zullen sommigen blijven zeggen. Voor mij maakt het niet veel uit: ik vind het sowieso een fantastisch feest dat traditiegetrouw wordt afgesloten door Aswoensdag.
Maar het is ook de tijd waarin enorm veel geschreven wordt – en wel het liefst in het eigen dialect: liedjes, proclamaties, uitnodigingen, carnavalskranten, toespraken. Een hele verzameling van allerlei soorten teksten rond één thema: carnaval/vastelaovend.
Het is ieder jaar weer erg de moeite waard deze teksten eens nader te bekijken. Natuurlijk, ze staan vol met clichés, dat wel, maar het taalgebruik van het plaatselijk dialect is toch vaak heel “bijzonder”!
Wat vooral opvalt, is de spelling die men gebruikt! Soms lijkt het of er geen enkel spellingssysteem bestaat en wordt er gewoon op “gevoel” dialect geschreven. Je vraagt je dan wel eens af of er werkelijk geen enkele belangstelling voor deze vormgeving van een tekst (= de spelling) bestaat. Het lijkt wel dat er in het dialect bij de spelling van alles mag en ook mogelijk moet zijn. Zelfs bij grote carnavalsverenigingen schort het op dit punt aan een kritische noot. Of wellicht – en dat is natuurlijk pijnlijker – aan gebrek aan kennis of mogelijke desinteresse!
Gelukkig zien we ook andere ontwikkelingen. Verschillende carnavalsverenigingen die de spelling van hun dialect niet goed beheersen, vragen om advies. Zo is het niet verwonderlijk dat de Willy Dols Stichting als specifiek taalinstituut, bij herhaling om advies gevraagd wordt. Wij zijn immers van mening dat teksten óók qua spelling er verzorgd moeten uitzien. En dat betekent dus: aandacht besteden aan de tekst zelf en ook aan de wijze waarop die wordt weergegeven: de spelling. Ook dat is mijns inziens een vorm van ordening en (taal-)cultuur.
Er is echter een opvatting die uitgaat van een totaal andere benadering. Het uitgangspunt is: de tekst zelf staat centraal en het gebruik van de spelling is daaraan ondergeschikt en moet vanuit dat standpunt zeer ruim worden opgevat. Dat wil zeggen: niet teveel strakke regels, je erg soepel opstellen t.a.v. de spelling van dialectteksten.
Als verklaring wordt dan gegeven;
*de spellingregels van het Limburgs zijn niet eenduidig, want ze liggen niet vast en zijn moeilijk hanteerbaar.
Hierbij kan men opmerken dat bij de erkenning van het Limburgs als streektaal (1997) ervan uitgegaan werd dat er ook gezorgd moest worden voor een standaardisering van de spelling met overzichtelijke en consequente regels
Dat is dan ook gebeurd: het is de Spelling 2003 van de Limburgse dialecten. Zij is zowel door Veldeke Limburg als de Raod veur ’t Limburgs (het adviesorgaan van de Provincie Limburg op het terrein van o.a. het Limburgs) als de standaardspelling van het Limburgs aangenomen. Sindsdien wordt ze ook wel – maar onjuist – kortweg de Veldeke-spelling genoemd.
*de spelling is te moeilijk, want er zijn veel te veel tekens. Wat velen blijkbaar niet weten is dat de klankleer van het Limburgs complexer is dan die van het Nederlands. Dat betekent dat er klanken in voorkomen die je op een andere manier moet weergeven omdat de standaardtaal niet over die mogelijkheden beschikt. Daarbij wordt er vooral op gelet dat de klankkenmerken globaal worden weergegeven en niet allerlei klankdetails. Wil men dat laatste bereiken, dan moet men inderdaad heel wat extra tekens gebruiken die het lezen alleen maar bemoeilijken.
Want, wat is eigenlijk de kern van een spelling?
Een hoofdkenmerk van een evenwichtige spelling is de herkenbaarheid, d.w.z. dat een geschreven woord gemakkelijk herkend moet worden, men kan het als het ware met een half oog lezen en begrijpen. Dan pas kan er van “lezen” worden gesproken: onze ogen dwalen rustig over de woorden heen. Is er echter duidelijk sprake van een andere spelling, dan betekent dit dat die herkenbaarheid niet meer vanzelfsprekend is , het soepele lezen verloopt heel wat stroever.
Neem een zin als: De trijn ariveerd tog niet om agt uur, maar om neege. Nu, de boodschap van de tekst is duidelijk, maar erg soepel leest deze zin niet: er zijn teveel afwijkingen van de standaardspelling.
Nog erger wordt dit als de woorden fonetisch worden geschreven, een verschijnsel dat in Limburgse teksten nogal frequent voorkomt. Enkele voorbeelden: staasje in plaats van stage, powezie in plaats van poëzie.
Rest toch een vraag: waarom accepteren we in het Nederlands niet de afwijkingen van de spelling in het zo juist genoemde zinnetje, maar wel in het dialect? Is dat dialect dan toch minder waard, staat het toch niet op hetzelfde niveau??
Laten we duidelijk zijn: er bestaat een goed onderbouwde en hanteerbare spelling van het Limburgs (Spelling 2003 van de Limburgse dialecten). Maar men moet zich wel de moeite doen er serieus kennis van te nemen en niet op voorhand en zonder kennis van zaken een afwijzend oordeel uit te spreken!!
Dat de genoemde spelling in de praktijk heel goed en consequent hanteerbaar is, blijkt wel uit de spellinggids voor het hedendaags Sittards: ’t Gruin Buikske van ’t Zittesj, een uitgave van de Willy Dols Stichting. We merken overigens dat deze gids hoe langer hoe meer als standaardwerk voor het Sittards gezien wordt.
Oproep: u neemt met een mooie verzorgde wagen of groep deel aan de optocht of wellicht gaat u als Einzelgänger mee. Let er dan ook op dat uw teksten er verzorgd uitzien.
Maar uiteraard ook buiten het vastelaovesseizoen staan wij graag voor u klaar met onze adviezen over het taalgebruik en de spelling van het Sittards
Neem gerust even telefonisch contact met ons op (046-4517203) op per mail ( fag.walraven@willydolsstichting.nl) ; wij zijn u graag van dienst!
F.W.; jan. 2017
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
2016 wordt gezien als een jaar waarin onze dialecten zich provinciaal in een bijzondere belangstelling mochten verheugen.
Aanleiding daartoe was het 90-jarig bestaan van de Vereniging Veldeke Limburg (1926-2016).
In een volgende column zullen we nagaan hoe die belangstelling zich op provinciaal niveau gemanifesteerd heeft. In deze uitgave beperken we ons tot activiteiten in de gemeente Sittard-Geleen.
*Natuurlijk zijn er de vaste programma’s zoals Veldeke Zittert kent: de kerstmiddag in de basiliek en het Sittards dictee in het kader van de Wèntjerdruim. Wellicht dat we nog nader terugkomen op dat dictee en het daaraan verbonden beleid.
*Een wel heel bijzonder evenement was de theatermiddag rond de persoon Reubsaet, mede georganiseerd door Veldeke Sittard.
De toonzetting van het geheel was helaas sterk nostalgisch, maar de uitvoering zelf stond op een hoog niveau, zodat terecht van een geslaagde theatermiddag gesproken kon worden.
* Wat we dit jaar met groot genoegen hebben mogen constateren is dat ’t Gruin Buikske van ’t Zittesj, uitgegeven door de Willy Dols Stichting (najaar 2015) hoe langer hoe populairder wordt en steeds meer gezien wordt als het standaardwerk voor de spelling van het Sittards.
Deze uitgave krijgt intussen navolging: in enkele plaatsen wordt er gewerkt aan een eigen boek, echter geheel volgens de opzet van ’t Gruin Buikske.
*Concreet betekent deze belangstelling dat er steeds meer verenigingen en organisaties de Willy Dols Stichting om taal- en spellingadvies vragen.
Maar ook particulieren hebben de weg naar de Stichting gevonden om raad/advies en eventueel correctie van hun teksten, gedichten, herdenkingskaarten (huwelijk – geboorte – jubileum).
Er zijn echter enkele grotere projecten waarbij de Stichting als taalinstituut betrokken is (geweest).
*Zo mochten we op dialectgebied adviseren bij uitspraak van teksten in het Limburgs van het toneelstuk Zujerleech dat onlangs nog eens werd opgevoerd door Het Laagland.
*2016 was wel een heel bijzonder jaar wat twee boeken betreft. Beide werden geschreven in het Sittards wat wel heel bijzonder genoemd mag worden.
*Zo verscheen er een boek van Arno Hochstenbach met als titel Vruiger bie ós thoes, geschreven in het Sittards. Hierin beschrijft hij als bewoner van Sanderbout de periode tussen 1935 en 1965. Bij deze uitgave was de Stichting bijzonder nauw betrokken. We mochten op het gebied van de spelling het wordingsproces begeleiden, maar ook op het terrein van organisatie o.m. bij verkoop.
*Korte tijd later verscheen een thriller Movan de hand van Lizette Colaris. Ook dit boek is geschreven in het Sittards en daarbij mochten we haar adviseren en steunen met onze spellingadviezen, zoals te zien is in de herdruk van het boek. Overigens is het oorspronkelijke werk in dezelfde uitgave “vertaald” in het Nederlands opgenomen.
Beide uitgaven mochten zich verheugen in een wel zeer grote belangstelling.
*Naast al deze activiteiten was de Willy Dols Stichting erg betrokken bij de correcties van de teksten van het K.V.L., het concours van vastelaovendleidjes veur (sjool-)kènjer.
*Een bijzondere uitdaging vormde de taalquiz die we mochten organiseren in museum Het Domein. De vraag was nu hoe zoiets op te zetten? Het mocht allemaal niet te moeilijk zijn, maar tegelijkertijd moest het wel interessant zijn voor de deelnemers. Gezien de reacties die we mochten ontvangen, is onze opzet zeker geslaagd te noemen.
*Eén programmapunt moesten we jammer genoeg verplaatsen: de bekende basiscursus van onze Stichting moest noodgedwongen verplaatst worden naar het voorjaar van 2017.
Wel werden er in onze gemeente drie andere cursussen gegeven, nl. in Geleen, Grevenbicht en Holtum.
*2016 is voor onze gemeente toch een jaar geworden waarin heel wat activiteiten hebben plaatsgevonden. En ook 2017 belooft een goed “dialecten-jaar” te worden, als de voortekenen ons niet bedriegen.
Ook in 2017 zullen er regelmatig weer columns verschijnen; we gaan gewoon door, want er is nog heel veel te vertellen!
Gaer dank ich uch, geer laezesj, veur eur belangsjtèlling veur dees rubriek en veur de positieve reacties die ich moch kriege!
Ich wunsj uch allenej ’n goud en gezóndj 2017 of wie me ouch waal zaet:
ein Gelökzelig Nuut Jaor!!
F.W.; dec.2016
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
In een van haar wekelijkse columns wijst prof. dr. Leonie Cornips onlangs op een merkwaardig feit.
Zij vraagt zich namelijk af waar niet-Limburgers terecht kunnen als zij meer informatie over dat Limburgs zouden willen krijgen. Mevrouw Cornips moet jammer genoeg constateren dat er geen enkele cursus bestaat die uitsluitend bedoeld is voor deze categorie belangstellenden. Ligt dat aan het gegeven dat een dergelijke cursus niet bestaat of is er mogelijk toch te weinig belangstelling voor? Of mogelijk een combinatie van beide factoren?
Hoe het ook zij, het zou wel een cursus algemeen Limburgs moeten zijn en niet het specifieke dialect van één plaats. Maar wie zou zo’n cursus vervolgens moeten organiseren? In de huidige situatie neemt een niet-Limburgse belangstellende gewoon deel aan een cursus in het plaatselijk dialect; in ons geval aan de cursus over het Sittards.
Toch roept bovenstaande kwestie de vraag op hoe het in onze provincie gesteld is met de mogelijkheid een cursus in een plaatselijk dialect te volgen. Want ook deze taalcursussen horen toch tot dat deelaspect van het Limburgs dat alle aandacht zou moeten krijgen. Het is juist dit facet dat over het algemeen niet kan rekenen op een grote provinciale belangstelling. Maar ook hier geldt: respecteier dien taal . Het is met name dit taalkundig aspect dat mijns inziens veel meer aandacht zou moeten krijgen: de dialectspreker maakt immers dan pas echt kennis met zijn taal, haar structuur en haar klankleer.
We moeten helaas vaststellen dat er maar op een paar plaatsen in de provincie de mogelijkheid bestaat een taalcursus te volgen: een zevental plaatsen, waarbij opmerkelijk is dat er zich drie daarvan in de gemeente Sittard-Geleen bevinden: Geleen, Holtum en Sittard! Doorgaans is er op provinciaal niveau ook nog alleen maar sprake van een basiscursus; over een vervolgcursus wordt nauwelijks gerept!
Er rijst natuurlijk de vraag waarom er dan zo weinig taalcursussen worden aangeboden. Bestaat er onder de dialectsprekers dan zo weinig animo? En als dat al zo is, wat is dan de reden??
Men kan in ieder geval constateren dat er bij veel dialectsprekers sprake is van een zekere zelfingenomenheid, zelfgenoegzaamheid. Nogal vaak klinkt het argument: ik spreek mijn eigen dialect en wat moet er dan nog meer?? Over die taal hoeft me niemand wat te vertellen, het is allemaal even duidelijk. Wat zou een cursus aan mijn kennis van mijn dialect nog kunnen toevoegen? Niets toch? Verdieping in de eigen taal, kennis van de klankleer, dat alles heb je toch niet nodig. Toch? Je kunt ook zonder al die ballast verzorgd je eigen dialect spreken. Daar komt dan ook nog eens bij dat dialect verbonden wordt met vroeger, met nostalgie. Vanuit die optiek gezien kan men nauwelijks belangstelling verwachten voor taalontwikkelingen die geleid hebben tot de huidige taalsituatie. Want als je blik vrijwel uitsluitend gericht is op het verleden, sta je met de rug naar het heden en de toekomst gekeerd.
Daarnaast kan men constateren dat er op provinciaal niveau niets of nauwelijks iets ondernomen wordt de deelname aan deze cursussen te promoten. Geen provinciale oproep of stimulans via de media bijvoorbeeld om mensen aan te sporen een dergelijke cursus te volgen. Het provinciaal taalbeleid op dit gebied is op dit punt dan ook aan een grondige herwaardering toe. De grote instanties op dialectgebied zullen toch veel explicieter met hun beleid op de voorgrond moeten treden om belangstelling te wekken voor taalverdieping.
Een derde aspect ligt eigenlijk in de lijn van het voorgaande. Het is namelijk zo: wil men een cursus gaan geven, dan zal men toch de beschikking moeten hebben over cursusleiders met een behoorlijke kennis van de taalstructuren en de klankleer. Hij/zij moet kunnen terugvallen op een brede kennis van zaken.
Maar helaas is er in onze provincie geen mogelijkheid meer een tussenkader op te leiden dat over voldoende kennis beschikt verantwoord cursussen te geven. Dat nu wreekt zich: er is vrijwel geen tussenkader meer en, zoals gezegd, er is ook geen mogelijkheid meer om hen op te leiden. Broodnodig is dat er weer kadercursussen gegeven worden om deze witte plek langzaam op te vullen.
Taalrespect hangt samen met kennis en inzicht. En daaraan ontbreekt het nu ten ene male. Wil men zijn eigen taal ook voor de toekomst een gezonde en brede basis geven, dan is er op dit terrein nog heel wat achterstand weg te werken. Juist nu, in het jaar van de dialecten, zou een dergelijk initiatief bijzonder zijn toe te juichen!!
F.W.; okt./nov. 2016
Bron : sittard-geleen-nieuws.nl
’t Jaor van de dialekte: Lager loon voor platpraters
In een gelijknamig artikel in de Limburgse dagbladen van 22 september j.l. wordt een relatie gelegd tussen dialect spreken en het gebruik van de Standaardtaal (het Nederlands) en wel in economische zin. Uit onderzoek zou namelijk blijken dat er een duidelijk verschil in salaris kan zijn (tot wel 15% toe!) ten nadele van de dialectspreker.
Al met al is het een merkwaardig artikel; mijns inziens tendentieus en tegenstrijdig. Zo kan de titel ervan toch niet anders worden opgevat als uitermate dubbelzinnig: Lager loon voor platpraters. Met name het woord platpraters kan heel gemakkelijk als denigrerend worden gelezen, te meer omdat in de tekst onder meer gesproken wordt over plat Amsterdams, d.w.z. onbeschaafd taalgebruik. Natuurlijk plat betekent naast dialect ook onbeschaafd, platvloers. Zou het omwille van de duidelijkheid niet wenselijker zijn om in het vervolg alleen nog maar te spreken over dialect en niet meer over plat als we dialect bedoelen?
Bovendien wekt de titel ook nog eens de indruk dat deze stelling geldt voor alle dialectsprekers, een veralgemenisering dus van de visie.
In de tekst worden de sprekers ingedeeld in twee groepen: dialectsprekers en standaardtaalsprekers in de verhouding 40% en 60%. Een merkwaardige indeling, omdat nergens duidelijk wordt gemaakt wat onder dialect en Standaardtaal verstaan wordt. En dat heeft wel degelijk gevolgen voor het betoog. Het percentage van 60% is zonder meer extreem hoog, zo niet onmogelijk. Normaal wordt uitgegaan van een 15%!! Maar wat wordt er allemaal tot het Standaardnederlands gerekend?? Hoe zit dat eigenlijk met iemand die verzorgd Nederlands spreekt met een licht regionaal accent? Is dat dan geen Standaardnederlands? Wat is er verkeerd aan als men in een dergelijk geval hoort dat de spreker uit bijvoorbeeld de Randstad of Limburg komt? Niets toch…?
Overigens wordt in het artikel nergens gesproken over de percentages dialectsprekers die ook verzorgd Standaardnederlands spreken. Ter sprake komen blijkbaar alleen die gevallen waarbij de spreker een onacceptabel gekleurd Nederlands spreekt. Dat geldt overigens voor alle taalvariaties die afwijken van de Standaardtaal.
Maar wat wordt in het artikel bedoeld met dialect?? Zijn dat alle zojuist genoemde taalvariaties? Het lijkt erop dat iedere afwijking van de Standaardtaal gezien wordt als dialect!! Want zonder enige verdere toelichting wordt het plat Amsterdams naast het Twents als voorbeeld gegeven.
Een vreemde combinatie! Zo is o.a. het Limburgs zowel op nationaal als Europees niveau erkend als streektaal, wat betekent dat het volgens de Raad van Europa gerekend moet worden tot het onvervreemdbaar Europees cultureel erfgoed. Een erkenning die men niet kan verwachten van bijvoorbeeld het Amsterdams of het Rotterdams. Taalvariaties die men dan ook geen dialect noemt.
Wat is nu in wezen de kern van het betoog? Veel leidinggevenden die van zichzelf vinden dat ze aan de standaardnorm voldoen, kijken neer op dialectsprekers, die ze als dom en achterlijk beschouwen. We zien dus dat arrogantie en gebrek aan taalkennis de basis gaan vormen waarop anderen beoordeeld worden en lager geclassificeerd worden.
Maar dan de vraag: hoe moet men in de opvoeding met dialect omgaan? Nu is er mijns inziens toch sprake van verwarring en onduidelijkheid. Er wordt namelijk gesteld dat een dialect leren zeker bij de opvoeding hoort, want tweetaligheid is nu eenmaal een pre! Dialect wordt nu dus niet gezien als een min of meer achtergebleven taalvorm, maar werkelijk als eigentijdse taal. Om dan verder geen “fouten” te maken is het raadzaam dat dialect alleen maar in familiaire kring te gebruiken. Daarbuiten moet zoveel mogelijk Standaardnederlands gesproken worden. Een interessante visie die – op zijn zachtst gezegd – niet in de lijn ligt van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden (Raad van Europa; 1992).
Het artikel laat overigens duidelijk zien dat minachting voor dialect van “boven af” komt, waar zelfingenomenheid en kortzichtigheid de leidraad vormen bij beoordelingen. En daartegen is en blijft het moeilijk vechten, want Gegen die Dummheit kämpfen sogar die Götter vergebens (waarbij Dummheit synoniem staat voor arrogantie en gebrek aan taalkundige kennis).
Het artikel wijst er daarentegen wel op dat veel dialectsprekers hun Nederlands onvoldoende verzorgen. Dat gegeven is overigens niets nieuws. Voor elke taalgebruiker geldt de regel dat hij zijn taal moet respecteren en dus cultiveren.
Dus: naast verzorgd dialectgebruik óók verzorgd Nederlands. Dat is naar mijn mening een kwestie van cultuur, beschaving.
F.W.; sept. 2016
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
2016: ’t Jaor van de dialekte
2016? Waarom dit jaar? Nu, dat mag duidelijk zijn: de Vereniging Veldeke Limburg viert dit jaar haar 90-jarig bestaan.
Opgericht in 1926 stelde zij zich van begin af aan als doel onze dialecten te behouden en het gebruik ervan te bevorderen.
Nu, 90 jaar later wordt dit terecht gevierd. Het jubileumjaar werd geopend met een officiële avond in de schouwburg van Roermond met genodigden uit de culturele en maatschappelijke wereld van Limburg. Op deze avond werd ook het eerste exemplaar van het boek van Luc Wolters aangeboden aan onze gouverneur. Deze studie bespreekt de 90 jaar Veldeke-geschiedenis, een bijzondere uitgave mag men wel stellen.
De avond werd afgesloten met een cabaret. Jammer genoeg was dat voor heel wat van de aanwezigen een grote teleurstelling. Het niveau ervan werd algemeen gekenschetst als “patronaats-niveau”! Als opening van “Het jaar van de dialecten” was dit duidelijk onder de maat. Zeker niet op het niveau van een op Europees niveau officieel erkende streektaal. Een gemiste kans!
Natuurlijk werd er in de media uitvoerig aandacht besteed aan dit bijzonder “dialect-jaar”. Er verschenen allerlei artikelen in de regionale pers en ook de Limburgse radio- en t.v.-zenders lieten hun belangstelling blijken. Wat me nogal pijnlijk trof, was dat uit bijna al die reacties maar al te duidelijk bleek dat de meeste journalisten en verslaggevers nauwelijks enig idee hadden van wat de streektaal Limburgs (en haar dialecten) betekent. Gangbaar zijn de aloude en allang achterhaalde clichés in de geest van: “Is een dialect wel een taal?” of “Is dialectspreken niet nadelig voor het Nederlands?”
Het Limburgs is in 1997 officieel erkend als streektaal. Maar dit gegeven blijkt vrijwel niemand zich te kunnen herinneren? Heeft 20 jaar taalbeleid dan geen enkel effect gehad? Of moeten we nu spreken van verkeerd taalbeleid, “achterstallig onderhoud”? Of is de belangstelling voor onze dialecten dan echt tanende??? Die indruk ontstaat wel als men de media mag geloven, want na 20 jaar nog steeds dezelfde vooroordelen?
Wel wordt er positief geoordeeld over het hoge percentage van de Limburgers dat nog zijn eigen taal spreekt. Maar wat betekent dat in werkelijkheid? Welke sociale plaats neemt dat dialect dan in? Anders gezegd: wat zegt dit eigenlijk over de taalcultuur in de betekenis van je eigen taal respecteren??
Iedere keer als er in de media nogal wat aandacht besteed wordt aan de positie van het dialect, duikt er een vreemd fenomeen op. Uit ingezonden brieven van een enkele lezer blijkt steeds weer opnieuw dat deze absoluut tegen het gebruik van dialect is in de openbare ruimte. Dáár is volgens de briefschrijver slechts plaats voor één taal, namelijk het Nederlands. Dat is de taal die beschaafde mensen – volgens hem – uitsluitend dienen te gebruiken. (!!)
Wel positief is het bericht dat het LGOG (het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap) in het najaar 2016 een studie/ een overzicht laat verschijnen van alle Limburgse schrijvers en dichters.
Wat is er intussen zoal gebeurd in dit “Jaar van de dialecten”? Nou, er is een “wedstrijd” geweest om na te gaan wat dan wel het meest originele en typisch Limburgse woord is. De gelukkige winnaar was “fispernölle”! In de pers is hieraan nogal wat aandacht besteed, maar laten we reëel zijn, dit woord is door honderden andere woorden te vervangen.
Leuk, maar dit thema-jaar vraagt toch wezenlijk iets anders! “Instandhouden en bevorderen” van onze dialecten vraagt om een meer serieuze en bredere benadering dan dit soort futiliteiten.
Wellicht vindt u deze column nogal algemeen. En tot op zekere hoogte is dat ook zo; lees deze maar als een soort inleiding. In de komende columns zullen we een aantal aspecten ter sprake brengen die mijns inziens van wezenlijk belang zijn om onze dialecten de broodnodige ruggensteun te geven voor de toekomst.
Er zal nog heel wat werk verzet moeten worden!!
F.W.; 25 augustus 2016
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Stoottoon en sleeptoon in het Limburgs (2)
In de vorige column (nr. 21) hebben we gesproken over één van de meest kenmerkende aspecten van het Limburgs: de stoottoon – sleeptoon. Het is inderdaad een heel typisch taalverschijnsel: een klinker wordt op twee manieren uitgesproken: “gewoon”, normaal: stoottoon en min of meer “slepend”, golvend: sleeptoon (teken: ~). Dit heeft tot gevolg dat er een betekenisverschil optreedt. Vergelijk maar: sjtein (stoottoon) en sjtein (sleeptoon). In het eerste geval is er sprake van meervoud, in het tweede van enkelvoud.
Door deze eigenschap (stoottoon – sleeptoon) kan het Limburgs tot de toontalen gerekend worden. Talen dus waarin verschil in betekenis onder meer wordt bepaald door de manier waarop eenzelfde klinker in verschillende woorden anders wordt uitgesproken. Een toontaal bij uitstek is wel het Chinees, waarin bijvoorbeeld de a van ma op wel vijf verschillende manieren uitgesproken kan worden met daarbij iedere keer een andere betekenis.
De kwestie stoottoon – sleeptoon in het Limburgs heeft bovendien een aantal bijzondere kenmerken.
Merkwaardigerwijs blijken niet-Limburgers het verschil in uitspraak van de stoottoon- sleeptoon niet te horen, terwijl dit voor Limburgers “normaal” is;
De eigenschap stoottoon – sleeptoon speelt met name in het Sittards nog een heel bijzondere rol.
In de columns 13 – 14 – 15 hebben we de zogenaamde Sittardse Diftongering uitgebreid aan de orde gesteld.
Ter herinnering: deze typische Sittardse klankwet heeft de eigenschap dat in veel gevallen de ee>ei, de eu>ui en de oo>ou wordt: beer>beier; greun>gruin en broor>brouwer.
Deze regel heeft als voorwaarde dat de klinker een stoottoon heeft. Heeft de klinker daarentegen een sleeptoon, dan is die omvorming in principe uitgesloten:
Met sleeptoon:
Veer (wij) blijft veer; voor (bij ploegen) blijft voor en veur (voor) blijft veur.
We gaan er gemakshalve maar vanuit dat een klinker zijn sleeptoon “gewoon” vasthoudt: wies (~) blijft wies (~)
Maar…niets is minder waar!! Een klinker met een sleeptoon kan die eigenschap óók verliezen. Laten we eens een paar mogelijkheden nader bekijken.
Uitgangspunt: staat een woord/klinker met sleeptoon vrij/ongedekt, dan behoudt dat/deze dit kenmerk.
Voorbeeld: Dae is niet goud wies (~);
Dao kump ’t vaer (~).
Echter:
bij verbuiging verliest de klinker de sleeptoon.
Voorbeeld: hae is ‘ne wieze (nu zonder sleeptoon); twee veerponten: twee vaere (zonder sleeptoon);
ook als de klinker met sleeptoon wordt opgenomen binnen een woordgroep, dan verdwijnt de eigenschap sleeptoon: eine wieze (geen sleeptoon) man; ’n wies (geen sleeptoon) vrouw (en vergelijk nu ook : ’n wiesvrouw).
Geregeld worden we geconfronteerd met een discussie over de scherpe Hollandse –g en de zachte Limburgse –g. Overigens is die zachte –g niet echt typisch Limburgs, maar dat terzijde.
In feite is dit een weinig zinvolle discussie, waarvan de cliché-conclusie al bij voorbaat vaststaat.
Veel ingrijpender en ook veel wezenlijker is het gebruik van de sleeptoon in het Nederlands! Immers, het Nederlands kent helemaal geen sleeptoon en het is daarom onjuist deze in het Nederlands te gebruiken.
Bij de onoplettende spreker ontstaan dan gevallen als:
Ja (~), ik zal daar ook naar toe gaan(~). Die man is niet goed wijs(~).
Kijk (~), daar loopt een muis (~)! Hoe laat kom je thuis (~)?
Nu, zoals gezegd: het Nederlands kent geen sleeptonen. Dat betekent dat de spreker goed moet opletten deze in te voegen. Het hoort immers tot een verzorgd taalgebruik (taalcultuur dus) dat onze taal zo goed mogelijk wordt uitgesproken: niet Limburgs, maar ook niet Hollands of het televisie-Nederlands!
Hoe dit probleem op te lossen? Héél eenvoudig: spreek die “moeilijke” woorden kort, want het Nederlands wordt behoorlijk kort uitgesproken.
F.W. (10 juli 2016)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Stoottoon en sleeptoon 1
In column 18 en 20 schreven we over het initiaal woordaccent in o.a. onze dialecten (column 18) en over de specifieke effecten die voortvloeien uit dit beginaccent. (zie column 20: begin(-letterrijm)
In het Limburgs treffen we daarbij ook nog een andere eigenschap aan die in het Nederlands taalgebied alleen in onze streektaal voorkomt. Het is de oppositie stoottoon – sleeptoon.
Wat is nu eigenlijk een stoottoon en een sleeptoon? Bij een stoottoon wordt de klinker van een woord/lettergreep met het dragende woordaccent kort uitgesproken. Bij een sleeptoon ligt de situatie complexer, want nu wordt een klinker min of meer golvend, slepend uitgesproken. Het gevolg van de eigenschap stoottoon/sleeptoon is dat er betekenisverschil optreedt. En dat nu is een uniek verschijnsel.
Om duidelijk te kunnen aangeven wanneer er sprake is van stoottoon of sleeptoon, gebruiken we alleen voor de sleeptoon een teken: ~. In alle andere gevallen is er dan sprake van een stoottoon.
wies – wies (~)
Zoals u ziet, is deze lijst (bij lange na) nog niet volledig. Het is aan u om te proberen er nog enkele aan toe te voegen.
Wie weet, vindt u mogelijk nog een aantal bijzondere voorbeelden.
F.W.; 28 mei 2016
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Stoottoon
Sleeptoon (~)
twee sjtein
’ne sjtein
de vaer (vogel)
’t vaer (veerpont)
Fien (naam)
fien (fijn)
geis (te)
geis (geest)
sjoon (mooi)
sjoon (schoenen)
mien (mien bouk)
mien (steenkolenmijn)
hoes (hoes)
hoes (huis)
bie (bij) (zn)
bie (bij) (voorz.)
kael (keel)
kael (kerel)
sjtraot (straat)
sjtraot (strot)
sjtroef (stroef)
sjtroef (pluk haar)
waeg (wegen)
waeg (weg)
paerd (paarden)
paerd (paard)
knien (konijnen)
knien (konijn)
paus (pauze)
paus (paus)
tiet (borst)
tiet (tijd)
oug (oog)
ouch (ook)
toesj (muzikale hulde)
toesj (ruil)
bein (benen)
bein (been)
toon (toon)
Toon (naam)
bal (dansfeest)
bal (speelbal)
graaf (graaf)
graaf (graf)
—
(t)hoes ((t)huis)
—
oet (uit)
ich gaon (ik ga)
veer gaon (wij gaan)
ich zeen (ik zie)
veer zeen (wij zien)
ich doon (ik doe)
veer doon (wij doen)
ich sjtaon (ik sta)
veer sjtaon (wij staan)
ich sjlaon (ik sla)
veer sjlaon (wij slaan)
…
jao (ja)
Speciaal effect door woordaccent…
In column 18 hebben we gesproken over het woordaccent en de plaats ervan bij meerlettergrepige woorden.
We hebben toen geconstateerd dat de Germaanse talen, waaronder het Nederlands en het Limburgs (en dus ook het Sittards) een overwegend beginaccent hebben (een initiaalaccent).Talen zoals het Frans hebben daarentegen een voorkeur voor een eindaccent (een finaalaccent).
Het is daarom niet verwonderlijk dat dit beginaccent een belangrijke rol speelt bij het woordgebruik. Dit nu is in bijzondere mate het geval als beklemtoonde woorden/lettergrepen van twee (of meer woorden) met dezelfde medeklinker(-s) beginnen. Dit is overigens een taalverschijnsel dat veel vaker voorkomt dan algemeen gedacht wordt. We noemen er een aantal:
door dik en dun; lief en leed/ leif en leid; met man en macht; voor dag en dauw/ veur daag en dauw; kind noch kraai (waarbij “kraai” een verbastering is van “crade”, dat “familie” betekent); paal en perk stellen; kracht naar kruis; óf zoals in de reclame: met melk meer mans, óf in een naam: Villa Zon en Zee.
Een dergelijk stijlverschijnsel wordt wel alliteratie of stafrijm of Germaans rijm of begin(-letter)rijm genoemd. Maar ook zonder deze begrippen te kennen, kunnen we gemakkelijk met deze typische eigenschap spelen. Wie van ons kent niet het oude versje:
Leentje leerde Lotje lopen langs de lange lindelaan
Of het bekende tekstje in het dialect: Wo woont Wullem Wèk? Wullem Wèk woont wied weg. Waat waef Wullem Wèk? Wullem Wèk waef witte wol.
Het is daarom niet verwonderlijk dat auteurs graag gebruikmaken van dit stijlmiddel. En het zijn vooral dichters die met hun beknopte manier van formuleren als geen ander de bijzondere werking van de alliteratie gebruiken om hun taal een nog grotere expressiviteit te geven.
Ter illustratie hiervan heb ik teksten gekozen uit het poëtisch werk van de priester-leraar-dichter Guido Gezelle (1830-1899).
Een voorbeeld uit Kerkhofblommen (1858), geschreven naar aanleiding van het overlijden van een van zijn studenten. De gekozen voorbeelden zijn uit een gedicht waarin de tocht van de boerderij naar de kerk beschreven wordt. De familie is gezeten in een huifkar met wit dekzeil, die getrokken wordt door twee paarden.
Traagzaam trekt de witte wagen
Door de stille straten…
En enkele regels verder:
Stap voor stap, zo gaan de peerden,
Traagzaam, treurig, stille en stom (= zonder geluid)
In het gedicht Twee horsen (1897) spreekt Gezelle over twee trekpaarden, die zware paarden die we nog van vroeger kennen. Ze trekken samen een zware last en dan heet het:
Ze zwoegen, ze zweten….
en
Ze stappen, ze stenen, ze stijven
de stringen.
Door het herhaald gebruik bovendien van het onderwerp ze krijgt de zin een uiterst expressieve werking. De herhaling van ze kan daarbij ook nog eens gezien worden als een specifieke alliteratie. Zou men de zin lezen zonder ze, dan is de poëtische werking beduidend minder: Ze stappen, stenen en stijven….. Het ritmisch effect van de oorspronkelijke versregel is in het laatste geval vrijwel verdwenen.
En dat is nu de kracht van de dichter: expressief omgaan met de alledaagse taal om haar daardoor die extra dimensie te geven.
F.W. (april 2016)
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
Jaomer……
De vastelaovend is weier veurbie. Veer höbben ’t maske begrave en de pekskes verzörg en opgeruump. Op Esjelegounsdig zeen veer ós ’n esjekrutske gaon haole en daonao höbbe veer ós d’n hering gebete, wie me zo zaet. De vastentied is begónne….
En zoals gebruikelijk na zulke dagen ga je weer over tot de orde van de dag. Bij het opruimen van het een en ander word je ook weer geconfronteerd met het typische taalgebruik en de ”bijzondere” spelling van het Sittards! Ik heb intussen ontdekt dat er in die nogal in zichzelf gesloten carnavalswereld drie stromingen te ontdekken zijn.
Zo zijn er voornamelijk ouderen die vasthouden aan het oudere taalgebruik en de spelling ervan. Ze doen dit, zo blijkt, uit respect voor de traditie. Nu, van hun oprechtheid in dezen ben ik wel overtuigd. Maar hun visie in deze kwesties schiet mijns inziens op twee kernpunten te kort. Ze zijn van mening dat een vroegere taallaag (“ ’t richtige Zittesj van de aw luuj”) als de beste of in ieder geval als duidelijk beter wordt gezien dan de huidige taalsituatie. Nu, zo’n taalsituatie heeft nooit bestaan en zal ook niet kunnen bestaan. Bovendien gaan ze er stilzwijgend van uit dat “traditie” een statisch gegeven is, dat dus (vrijwel) niet onderhevig is aan verandering. In de praktijk blijkt echter dat “traditie” een zich steeds weer ontwikkelend gegeven is dat door elke volgende generatie wordt overgenomen en ingevuld volgens de visie van die generatie. Kort samengevat: traditie is niet statisch, maar dynamisch. Een enkel voorbeeld: 50 jaar geleden werd op een andere manier carnaval gevierd dan nu. Dat hoeft niet beter of slechter te zijn, nee, het is gewoon anders.
Er is een tweede richting in de (Sittardse) carnavalswereld die ervan uitgaat dat je je eigen dialect kunt schrijven zoals je zelf denkt dat het moet. Regels met betrekking tot taaleigen en/of spelling doen niet ter zake. Uitgangspunt: de “boodschap” (de inhoud dus) moet begrepen worden, waarbij de vorm (de spelling en grammatica) geen rol van betekenis speelt. Van “taalcultuur en respect” is hier in het geheel geen sprake!
Merkwaardigerwijs is men van mening dat dat niet voor het Nederlands geldt. Een zinnetje als De trijn komp waarscheinlek om ag uur aan is, wat de betekenis betreft, zonder meer duidelijk. Daar is geen twijfel over mogelijk. Opvallend nu is dat men een dergelijke spelling niet accepteert, want dat is Nederlands (sic!). Men gaat er blijkbaar impliciet van uit dat je eigen taal, je dialect minderwaardig is, en dat zelfs de vraag moet worden gesteld of er wel van een taal gesproken kan worden! Waarom, zo vraag ik me dan af, is er zo’n groot respect voor de standaardtaal (uiteraard geen bezwaar!) en reageert men zo negatief naar de eigen taal, het Sittards, toe. Wat men blijkbaar niet beseft/wil beseffen, is dat dialect een taal is, hoewel geografisch beperkt. Het voldoet namelijk volledig aan de voorwaarden die aan het begrip “taal” gesteld worden!
Een derde richting bestaat hierin dat men zijn eigen weg gaat, d.w.z. men volgt een eigen taalvisie en past die toe op (vrijwel) alle officiële teksten en publicaties. Neem als voorbeeld de ingezonden teksten voor het programmaboekje. Het betreft dan teksten die voldoen aan alle taal- en spellingscriteria. Je gelooft soms je ogen niet als je het uiteindelijke resultaat ziet, want je tekst blijkt zodanig ondeskundig “bewerkt” te zijn dat ze nauwelijks nog herkenbaar is! En dat zowel naar de inhoud als de vorm. De bewerker blijkt, zoveel moge duidelijk zijn, geen of nauwelijks enig idee te hebben van de basisklankleer en het wezen van de spelling. In feite is het een ratjetoe van ondoorzichtige keuzes en het door elkaar haspelen van verschillende spellingsystemen. Neem een ander overduidelijk voorbeeld: het Optochtreglement of een officiële bekendmaking.
Waarop is mijn kritiek dan gebaseerd? Wat het woordgebruik betreft, hierbij kan men constateren dat woorden van het type recepce/recepse en insjtallaase/insjtallaasje tot een verouderd taalgebruik gerekend worden. Ze worden ook wel gezien als een onverzorgde, wel erg volkse manier van taal. In ieder geval is het zo dat in het huidige Sittards deze vormen feitelijk helemaal verdwenen zijn.
Over de spelling is het volgende op te merken: het gebruikte spellingsysteem is volkomen verouderd. Bovendien is het gebaseerd op een onjuiste en onlogische combinatie van verschillende spellingsystemen, zodat er een onoverzichtelijke wirwar van tegenstrijdige regels ontstaan is.
Nee, er is in het Sittardse op dat punt duidelijk geen taalcultuur, geen respect voor je eigen dialect. Natuurlijk kan men op die ingeslagen weg van onkunde en kortzichtigheid doorgaan. Maar het zal uiteindelijk vergeefse moeite zijn, want wat voorbij is, is voorbij. Zich daarvoor blijven inzetten heeft iets weg van trekken aan een dood paard…..
Maar is het nou echt niet mogelijk de koppen bij elkaar te steken en er samen voor te zorgen dat er een verfrissende wind over het Sittardse taallandschap gaat waaien?
Ons dialect mag toch rekenen op respect en zeker op die plaats die het met recht moet innemen.
F.W. (februari 2016)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Klemtoon, stoottoon, sleeptoon
De genoemde begrippen zijn wellicht iedereen bekend. Het is echter niet mogelijk ze in één artikel te bespreken. Immers, de klemtoon is een algemeen bekend taalverschijnsel, terwijl de sleeptoon en de stoottoon tot het typisch Limburgs taaleigen behoren. Er zal daarom bijzonder aandacht aan deze taaleigenschap geschonken worden.
Beperken we ons daarom in deze column tot het begrip klemtoon of woordaccent. Dat is kort gezegd het gegeven dat in meervoudige lettergrepen één lettergreep duidelijk met meer nadruk wordt uitgesproken dan de andere lettergreep/-grepen. Het is een algemeen taalkundig verschijnsel, waarbij de hoofdregel voor het Nederlands en het Limburgs (vrijwel) gelijk is. Enkele voorbeelden: las-tig/ les-tig, ko-ken/kao-ke, wan-de-len/wan-je-le, on-mid-del-lijk/ón-mid-del-lijk.
De plaats van de klemtoon
Hoewel het begrip klemtoon woordaccent in alle talen voorkomt, is de positie ervan niet steeds en overal dezelfde. In veel talen geldt als hoofdregel dat de klemtoon op de eerste lettergreep valt. Deze eigenschap geldt zeker voor de Germaanse talen, waartoe het Nederlands en het Limburgs behoren. Men spreekt dan van beginaccent of initiaalaccent. Andere talen, zoals het Frans, hebben bij voorkeur een eindaccent, ook wel finaal accent genoemd: ca-deau, mer-ci, regle-ment.
Ook de plaats van het hoofdaccent blijkt niet automatisch vast te liggen. Zo is in de loop der eeuwen dit accent vaker van plaats veranderd. Ook in onze moderne tijd worden we er nog geregeld mee geconfronteerd. Voor velen van ons geldt de volgende uitspraak: volks-huisvesting, bouw-nijverheid. We horen echter hoe langer hoe meer, zelfs via het Journaal, een uitspraak als volks-huis-vesting/bouw-nij-verheid. En in plaats van nar-cis hoort men nar-cis, en wordt er naast pa-gina ook wel pa-gi-na gebruikt.
Ook bij het gebruik van (voor-)namen hoort men vaak verkeerd gebruik van het woordaccent: Leeu-war-den in plaats van Leeu-warden; Kerk-ra-de in plaats van Kerk-rade; Ma-ria en niet Ma-ri-a; Lé-on en niet Lé-on.
In andere talen verspringt de hoofdklemtoon bij meerlettergrepige woorden soms bijvoorbeeld naar de tweede, zelfs derde, lettergreep.
Toch kan ook in de eigen taal (Nederlands en Limburgs) de plaatsing van de hoofdklemtoon verschillen, namelijk in die situaties dat een betekenisverschil niet duidelijk is. Neem doorlopen. Welke betekenis wordt bedoeld? Daarom wijkt in dergelijke situaties de plaats van de klemtoon af van de hoofdregel: door-lopen (hij is doorgelopen) naast door-lo-pen (hij heeft die opleiding doorlopen); be-de-len naast be-delen; ne-ge-ren naast ne-geren.
Het komt geregeld voor dat beklemtoonde beginlettergrepen met dezelfde medeklinker(-s) beginnen. Een voorbeeld: voor dag en dauw. Door deze combinatie ontstaat een zeer specifieke eenheid met een bijzondere werking.
In onze volgende column zullen we nader op dit taalgebruik ingaan.
F.W. (jan. 2016)
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
’t Gruin Buikske van ’t Zittesj
Het is eigenlijk vanzelfsprekend dat we onze taal goed verzorgen. Onder die taalverzorging verstaan we dan doorgaans de zinsbouw en het woordgebruik. Maar ook wordt er wel degelijk op de schrijfwijze, de spelling gelet. Niets is zo vervelend als dat er storende spelfouten in een tekst staan. En dan praten we nog niet eens over de spelling van werkwoordsvormen of vreemde woorden! En, zoals gezegd, iedereen die zichzelf respecteert, let op het taalgebruik en de spelling. In geval van twijfel wordt in een spellinggids de juiste schrijfwijze opgezocht. Dit geldt overigens voor alle talen, of men nu Nederlands schrijft of Duits of…. Wie schrijft, respecteert de regels van de spelling.
Dit lijkt voor de hand liggend, maar hoe is de situatie bij de dialecten? Velen zijn van mening dat je dialecten, anders dan de standaardtalen, kunt schrijven zoals jezelf denkt dat het juist is. Spellingsregels lijken niet te gelden voor een dialect: alles moet zo’n beetje kunnen.
Vanwaar dit standpunt? Heeft men nou werkelijk zo’n laag idee van de eigen taal? Ziet men die niet als een taal? Want er zijn mensen die denken dat dialect geen taal is! Daar komt ook nog eens bij dat er bij velen die dialect spreken, een vrij sterke neiging bestaat vast te houden aan het vroegere als norm voor de spelling van een dialect!
Het gevolg is een ratjetoe van spelwijzen, soms wel met heel bizarre vormen. Een standaardspelling, zoals in het Nederlands, zou voor dialecten onmogelijk zijn. Nu, iedereen die een beetje thuis is in de klankleer, weet dat er wel degelijk richtlijnen te geven zijn waarmee uitstekend te werken valt. Bovendien bevordert een goede en overzichtelijke spelling de leesbaarheid van een tekst en die leesbaarheid, die herkenning, is nou net een wezenlijk aspect van iedere evenwichtige spelling. Het is dan ook de Vereniging Veldeke Limburg geweest die vanaf haar oprichting in 1926 steeds geprobeerd heeft een hanteerbare spelling samen te stellen die voor al die onderscheiden dialecten gebruikt zou kunnen worden.
De laatste provinciale spelling is de Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten, op basis van de vernieuwde kennis van en inzicht in de klankleer. Deze provinciale spelling is door de Raod veur ’t Limburgs en de Vereniging Veldeke Limburg als leidraad overgenomen. In feite is ze dus de officiële spelling voor onze dialecten.
Het is in dit kader dat de Willy Dols Stichting een spellinggids voor het Sittards heeft samengesteld. Ruim drie jaar heeft een werkgroep samen met taalkundigen gewerkt aan deze uitgave. Het uitgangspunt is het hedendaagse moderne Sittards geweest, geheel in de geest van het als streektaal erkende Limburgs (1997).
Bij de uitwerking stond ons de bekende spellinggids het Groene Boekje voor de geest. De titel hebben we met toestemming van de Nederlandse Taalunie – vertaald – over mogen nemen als Gruin Buikske van ’t Zittesj.
De uitgave bestaat in feite uit drie delen. Het eerste gedeelte is een algemeen gedeelte met inleiding, de spellingsregels voor het Sittards en een aantal teksten over grammaticale aspecten. Het tweede gedeelte vormt de eigenlijke kern van dit boek. Hierin worden ruim 5.000 woorden besproken. Niet alleen hun schrijfwijze wordt gegeven, maar ook andere aspecten, zoals stoottoon–sleeptoon, woordsoort, verbuiging en vervoeging. Het derde gedeelte is een handreiking naar de gebruiker: het is een woordenlijst Nederlands – Sittards van alle besproken woorden.
Vrijdag, 20 november a.s. zal de spellinggids van ongeveer 250 bladzijden officieel gepresenteerd worden.
De prijs is bewust laagdrempelig gehouden: € 13,95. Te bestellen via www.gruinbuikske.nl of vanaf 21 november o.a. ook in de boekhandel.
De samenstellers zijn ervan overtuigd dat deze spellinggids een onmisbare handleiding is voor ieder die zijn dialect ook wat de spelling betreft, graag wil verzorgen.
F.W.; 20 okt. 2015
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Vrijdag, 20 november a.s. zal de spellinggids van ongeveer 250 bladzijden officieel gepresenteerd worden.
De prijs is bewust laagdrempelig gehouden: € 13,95. Te bestellen via www.gruinbuikske.nl of vanaf 21 november o.a. ook in de boekhandel.
De samenstellers zijn ervan overtuigd dat deze spellinggids een onmisbare handleiding is voor ieder die zijn dialect ook wat de spelling betreft, graag wil verzorgen.
F.W.; 20 okt. 2015
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Went betekent als, wanneer, maar ook want ?
Onlangs las ik in een tekst van een zogenaamde dialectmis de zin: Went Geer zeet ózzen Heer…..Went wordt hier duidelijk bedoeld als want. Het komt me nogal vreemd voor, het gebruik van went in deze context.
Raadplegen we eens het enige naoorlogse Sittardse woordenboek, nl. dat van J. Schelberg (Woordenboek van het Sittards dialect, 1979-2; blz. 487), dan lezen we dat hij inderdaad went ook kent in de betekenis van want. Dat lijkt me bijzonder eigenaardig, want, naar mijn mening kunnen want en went nooit dezelfde functie en betekenis hebben. Het lijkt me daarom wenselijk de twee woorden eens nader te bekijken, waarbij we letten op a. de betekenis, b. de woordsoort en c. de woordvolgorde.
a. De betekenis
Went betekent alleen wanneer, als; het wordt gebruikt als er een voorwaarde wordt uitgedrukt.
Een voorbeeld: Went (= es) ’t zo hel blif sjnieje, kóm ich neit.
Went en es zijn in betekenis gelijkwaardig en kunnen doorgaans beide gebruikt worden: ze drukken immers beide een voorwaarde uit.
Let wel: het woord wanneer kan ook een heel andere betekenis hebben! Vergelijk maar:
Wanneer het hard regent, staat onze straat vaak onder water
met
Wanneer kom je?
We zien dat het eerste wanneer een voorwaarde uitdrukt, terwijl het tweede wanneer een tijdsaanduiding weergeeft. Nu maakt dat voor het Sittards niets uit; wij kennen dit verschil in de betekenis van wanneer niet. We hebben immers in ons dialect daarvoor twee verschillende woorden: wanneer als voorwaarde: went; wanneer als tijdsaanduiding: wienee.
Want daarentegen heeft een totaal andere betekenis dan went. Want geeft immers een verklaring, een reden, en dat is toch heel wat anders dan een voorwaarde. Alleen al om die reden is de combinatie went=want onmogelijk!
Bovendien is wanneer (=went) een voegwoord en wanneer (=wienee) een bijwoord.
b. De woordsoort
Letten we op de woordsoort van went en want, dan zien we dat beide wel voegwoord zijn, maar van een totaal andere klasse. Went is een zogenaamd onderschikkend voegwoord. Een hoofdkenmerk van deze voegwoorden is namelijk dat ze ongelijkwaardige delen met elkaar verbinden.
Want daarentegen is ook een voegwoord, maar een nevenschikkend voegwoord: het verbindt namelijk gelijkwaardige delen met elkaar door middel van een verklaring, een reden.
c. De woordvolgorde
Een beperking vooraf: we kunnen in het kader van deze columns niet alle grammaticale mogelijkheden bespreken. Wie meer over dit onderwerp wil weten, kan daartoe een grammatica raadplegen, bijvoorbeeld de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst). We beperken ons dus tot de hoofdeigenschap.
Want (verklaring, reden): verbindt, zoals gezegd, gelijkwaardige grootheden. Dat betekent, dat bij gebruik van want, de woordvolgorde van zin A gelijk moet zijn aan die van zin B.
Een voorbeeld:
Doe zuls waal neit kómme, want ’t blif mer sjnieje.
’t Jungske blif zitte, want zien rapport is te zjwaak.
Me mót de dieke gaon bewake, want ’t water van de rivier sjieg erg sjnel.
Went (als, wanneer: voorwaarde):
Doe zuls waal neit kómme, es ’t zo blif snieje.
’t Jungske blif zitte, went zien rapport te zjwaak is.
Me mot de dieke gaon bewake, went ’t water van de rivier zo sjnel sjtieg.
Conclusie:
Het standpunt dat went ook want kan betekenen is volkomen onjuist;
Voor went geldt: went = es = als, wanneer en geeft een voorwaarde aan;
Voor want geldt: want = want en geeft een verklaring, reden aan.
F.W. (15 augustus 2015)
Bron : Sittard-Geleen.nieuws.nl
Inleiding
In onze vorige columns hebben we gesproken over de bekende Sittardse Diftongering (S.D.) en ook over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
Vatten we het geheel nog eens kort samen:
alleen de lange klinkers ee-ee-eu kunnen diftongeren, dat wil zeggen: een tweeklank (= diftong) worden en wel ei-ou-ui;
dit is alleen mogelijk als er sprake is van een stoottoon. Een voorbeeld: veer (4) heeft een stoottoon en kan diftongeren tot veier, maar veer (wij) heeft een sleeptoon en kan dat dus niet: het blijft gewoon veer.
Wel/geen diftongering?
Nu blijkt die diftongeringsregel in het Sittards toch heel wat complexer te zijn. Er is immers sprake van een merkwaardig probleem: er zijn nogal wat woorden die aan alle voorwaarden voldoen en die toch niet kunnen diftongeren.
Zetten we eens een aantal gevallen op een rij (let wel: het zijn alle de bekende klinkers met stoottoon!)
Nog enkele voorbeelden: peut (poten), fees, heer, boon, groot, geweun, heure. Deze groep is overigens groter dan men wellicht denkt. Probeer het maar eens: zoek woorden in het Sittards die
1. een ee-oo-eu als klinker hebben, die
2. bovendien ook nog een stoottoon hebben en
3. toch niet diftongeren!
Verklaring
Hoe kan dat nou? Dezelfde voorwaarden en toch geen diftongering?? Het probleem zit in “dezelfde voorwaarden”. Natuurlijk, in al die gevallen is er sprake van stoottoon. Het probleem zit in de klanken ee-oo-eu van groep A en ee-oo-eu van groep B. Ogenschijnlijk zijn deze klinkers gelijk, maar in werkelijkheid verschillen de klinkers van groep A en B van elkaar. Voor ons taalgevoel zijn ze gelijk, samengevallen, maar taalhistorisch gezien hebben ze een totaal andere achtergrond en ontwikkeling. Dus de ee van groep A is in feite niet identiek aan de ee van groep B. Eenzelfde redenering geldt uiteraard voor de oo en de eu.
Het zou in het kader van deze columns te ver gaan hier nader op in te gaan: die taalhistorische context is bijzonder ingewikkeld! Wellicht kunnen we met een beeld uit de biologie het een en ander verduidelijken.
Taalhistorisch gezien hebben de klinkers uit groep A andere genen dan die uit groep B, want ze zijn op een andere manier ontstaan en ze hebben zich ook totaal anders ontwikkeld. Het merkwaardige feit doet zich nu voor dat de genen van de klinkers uit groep A wel diftongering toestaan en die van de klinkers uit groep B dit juist verhinderen!
Men kan niet anders dan concluderen dat die Sittardse Diftongering in wezen vele malen complexer is dan menigeen denkt. Want uit het bovenstaande kan men nog een extra voorwaarde afleiden: diftongering is alleen mogelijk bij de bekende drie lange klinkers met stoottoon die dan ook nog eens over de “juiste” genen moeten beschikken!!
Wanneer is die S.D. nu ontstaan?
Nu, dat is een interessante vraag waarop niet zo gemakkelijk een antwoord kan worden gegeven. Het is natuurlijk niet zo dat een precies jaartal kan worden aangegeven. Immers, taaleigenschappen hebben geen “geboortedatum”; men kan achteraf slechts constateren dat ze in een bepaalde periode ontstaan moeten zijn en vervolgens zich zodanig ontwikkeld hebben dat ze een (vaste?) plaats in het taaleigen veroverd hebben.
Maar er zijn natuurlijk meer vragen. Bijvoorbeeld: waarom of waardoor ontstaat eigenlijk zo’n nieuwe eigenschap? En waarom blijft die in Limburg beperkt tot Sittard en omliggende plaatsen, en waarom bereikt ze plaatsen als Doenrade, Geleen, Born en Susteren niet???
De S.D. is volgens de grote Sittardse taalkundige Willy Dols (1911-1944) vastgesteld in een geschrift uit 1571. Dat betekent natuurlijk niet dat de S.D. toen ontstaan is. Nee, ze bestond toen al, anders was ze niet in een officiële tekst terecht gekomen. Met redelijke zekerheid kan men aannemen dat deze taaleigenschap ontstaan moet zijn in de 14e eeuw.
De toekomst van de Sittardse Diftongering
Hoewel de S.D. dus al enkele eeuwen oud is, rijst toch de vraag of ze zich in het Sittards een definitief vaste plaats heeft weten te verwerven.
Er zijn namelijk drie factoren die negatief kunnen inwerken op die positie.
a. Zoals reeds is aangetoond, is de S.D. een heel complex taalfenomeen. En juist daarin schuilt de mogelijkheid dat die S.D. minder vastligt dan algemeen wordt aangenomen. Het complexe kan uiteindelijk een barrière gaan vormen die de S.D.-regel ondergraaft.
b. Een tweede factor is het feit dat het huidige Sittard een open gemeenschap is geworden. Dit in tegenstelling tot vroeger toen plaatsen vaak een duidelijke beslotenheid hadden. En het was juist die beslotenheid die ervoor zorgde dat regels, waaronder ook taalkundige, een veel vastere positie innamen. Thans is dat helemaal veranderd: dagelijks komt men veelvuldig in contact met mensen uit andere dialectgebieden. Dat betekent natuurlijk ook dat dialecten door onderlinge communicatie elkaar beïnvloeden, waardoor het typische van de eigen taal sterk onder druk komt te staan. Er zijn taalgeleerden die van mening zijn dat uiteindelijk de dialecten veel algemener worden, waarbij het specifieke vrijwel verloren zal gaan.
c. Er is echter een factor die waarschijnlijk ongemerkt de grootste invloed uitoefent, nl. onze Standaardtaal, het Nederlands (vroeger ook wel het A.B.N. genoemd). Men realiseert zich doorgaans te weinig dat deze taal in woord en geschrift dagelijks via de media constant tot ons komt. Dat zij daarbij grote invloed uitoefenen is niet meer dan logisch. Onze dialecten krijgen een duidelijk Nederlandse klankkleur, terwijl de verwante Duitse grensdialecten langzaam, maar zeker “Duitser” klinken.
Om een willekeurig voorbeeld te noemen: hoe vaak hoort men in de omgangstaal niet spreken over de regering, terwijl regeiering klankwettig juist zou zijn.
Hoe men de zaak ook keert of wendt, taalontwikkeling, d.w.z. verandering, is er altijd geweest en zal ook zeker in de toekomst gebeuren. De maatschappij verandert en daarmee ook de taal in die maatschappij.
F.W.; 10 juli 2015
Bron : sittard-geleennieuws.nl
In de laatste column (nr. 13) hebben we geconstateerd dat het Sittards
een specifiek kenmerk heeft dat ook door de niet-Sittardenaren als zodanig ervaren wordt. Het is het verschijnsel dat de klinkers ee – oo – eu onder bepaalde voorwaarde(n) kunnen overgaan naar respectievelijk ei – ou – ui.
Overzicht:
ee (genete, veer) > ei (geneite, veier)
oo (voor, voot) > ou (vouwer, vout)
eu (vreug, meute) > ui (vruig, muite)
Dit verschijnsel noemt men wel diftongering en omdat dit in Limburg maar in een klein gebied voorkomt met Sittard als centrum, heet het officieel de Sittardse Diftongering. Het is met name de bekende Sittardse taalkundige Willy Dols (1911-1944) geweest die dit verschijnsel tot onderwerp gekozen had voor zijn proefschrift, dat postuum in 1953 verschenen is.
Het een en ander vraagt natuurlijk om een toelichting. We kennen allen nog de begrippen korte klinkers (i – o – a – u….), lange klinkers (aa – oo – ee – uu….) en tweeklanken (ei – ou – au – ui….). De korte en lange klinkers samen noemt men eenklanken of monoftongen; de tweeklanken heten diftongen.
Wat is nu diftongering?
Dat is het verschijnsel dat een klinker onder bepaalde voorwaarden een tweeklank (een diftong) wordt. Echter, dit geldt niet voor alle klinkers: bij de korte klinkers is dit uitgesloten. Bovendien geldt voor de lange klinkers ook een beperking: het zijn alleen de ee – oo – eu die kunnen diftongeren en wel tot ei – ou – ui.
Dus: ee > ei; oo > ou; eu > ui.
De vraag is bovendien: onder welke voorwaarde(n) is deze diftongering mogelijk?
Vooraf: een korte toelichting. Eén van de kenmerken van het Limburgs – en dus ook van het Sittards – is de kwestie stoottoon – sleeptoon. (waarover later meer). Voor iedere dialectspreker is het verschil in uitspraak duidelijk waarneembaar: neem bijvoorbeeld vaer (veer van een vogel) met stoottoon en vaer (veerpont) met sleeptoon.
Wat blijkt nu? Alléén die drie lange klinkers met stoottoon kunnen diftongeren, met sleeptoon is dat uitgesloten!
Enkele voorbeelden
Elke regel kent natuurlijk wel een uitzondering. Zo heeft neet (niet) een sleeptoon en toch diftongeert die, want neet > neit (met sleeptoon!)
Vatten we de hoofdzaken samen:
We weten nu wat diftongering is. We hebben bovendien ook gezien dat deze alleen mogelijk is, als aan twee voorwaarden wordt voldaan, nl.
1. alleen bij woorden met de lange klinkers ee, oo of eu;
2. en bovendien als er sprake is van stoottoon.
Maar….. er zit nog een addertje onder het gras! Daarover graag de volgende keer.
F.W.; mei 2015
Bron : Sittard-Geleen.nieuws.nl
Elke regel kent natuurlijk wel een uitzondering. Zo heeft neet (niet) een sleeptoon en toch diftongeert die, want neet > neit (met sleeptoon!)
Vatten we de hoofdzaken samen:
We weten nu wat diftongering is. We hebben bovendien ook gezien dat deze alleen mogelijk is, als aan twee voorwaarden wordt voldaan, nl.
1. alleen bij woorden met de lange klinkers ee, oo of eu;
2. en bovendien als er sprake is van stoottoon.
Maar….. er zit nog een addertje onder het gras! Daarover graag de volgende keer.
F.W.; mei 2015
Bron : Sittard-Geleen.nieuws.nl
Verkeer = verkeier?
Beter carnavalsweer als dit jaar kan men zich niet wensen! Midden februari: veel zon, weinig wind en een alleszins acceptabele temperatuur.
Alle redenen om te genieten van een mooie optocht met behoorlijk wat originele ideeën en spitse taalkundige vondsten. Één groep zorgde toch voor enige beroering. Wat was er aan de hand? Het thema was de verkeersproblemen in en rond Sittard. Vooral de vertaling van verkeer zorgde voor nogal wat verbazing: verkeer = verkeier??
Onder de omstanders kwam spontaan een discussie op gang: is dat wel goed?? Maar beer (bier) is toch ook beier? Wordt ee in het Sittards altijd ei? Een bevredigende oplossing werd niet gevonden.
En hoe zit dat dan met andere gevallen die als typisch Sittards worden ervaren door zowel mensen van binnen als buiten Sittard?
Neem het geval eu wordt ui, zoals in greun – gruin. Maar ook hier komt het voor dat eu niet verandert: kleur blijft kleur !
En dan de derde mogelijkheid: oo wordt ou, zoals in voot dat vout wordt. Ook hier weer de mogelijkheid dat oo niet verandert: poot blijft poot !
Hoe zit dat nu? Is hier sprake van uitzonderingen, van toevalligheden of is er toch meer aan de hand? Is die klankverandering dan toch veel complexer dan dat men op het eerste gezicht denkt??
Zetten we eens een aantal gevallen bij elkaar:
De genoemde gevallen onder A. zijn niet alleen in het Sittards, maar ook in andere dialecten bekend als typisch Sittardse klanken. Maar men kan uit de B.-groep afleiden dat de algemeen aanvaarde regel in het Sittards, nl. ee > ei, oo > ou en eu > ui, helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Zo kan men zich afvragen wat het verschil uitmaakt op basis waarvan de A.-groep wel van klank verandert, maar de B.-groep niet.
Is er soms sprake van toeval of is de taalsituatie toch complexer dan menigeen denkt? En als er al sprake is van een typisch Sittards verschijnsel, wat is er dan zo typisch aan? Hoe sterk is dat verschijnsel dan? Bestaan er grenzen en zo ja, welke zijn dat dan en waarom?
Is verkeier voor verkeer dan toch wellicht onjuist? En waarom dan wel?
In de komende columns zullen we op het een en ander nader ingaan.
F.W. (15 april 2015)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
De genoemde gevallen onder A. zijn niet alleen in het Sittards, maar ook in andere dialecten bekend als typisch Sittardse klanken. Maar men kan uit de B.-groep afleiden dat de algemeen aanvaarde regel in het Sittards, nl. ee > ei, oo > ou en eu > ui, helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Zo kan men zich afvragen wat het verschil uitmaakt op basis waarvan de A.-groep wel van klank verandert, maar de B.-groep niet.
Is er soms sprake van toeval of is de taalsituatie toch complexer dan menigeen denkt? En als er al sprake is van een typisch Sittards verschijnsel, wat is er dan zo typisch aan? Hoe sterk is dat verschijnsel dan? Bestaan er grenzen en zo ja, welke zijn dat dan en waarom?
Is verkeier voor verkeer dan toch wellicht onjuist? En waarom dan wel?
In de komende columns zullen we op het een en ander nader ingaan.
F.W. (15 april 2015)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Algemeen taalbeleid in onze provincie
Om de vier jaar gaan we stemmen voor de samenstelling van de Tweede Kamer of de Provinciale Staten of de Gemeenteraad.
Zo gingen we op 18 maart naar de stembus i.v.m. de nieuwe samenstelling van de Provinciale Staten. Deze verkiezingen zijn niet alleen van direct belang voor onze provincie, maar ook indirect voor de samenstelling van de Eerste Kamer.
Al enige tijd geleden kwam in deze column het beleid ter sprake van de lokale politieke partijen inzake de streektaal. We moesten helaas constateren dat in onze gemeente (en heel wat andere!!) geen enkele partij daaraan aandacht besteedt, hoewel de burger dat eigenlijk zou mogen verwachten!
Maar hoe is het met de partijen op provinciaal niveau gesteld? Is de situatie daar duidelijk beter? Laten we duidelijk zijn: nee! Géén van de politieke partijen spreekt expliciet over een te volgen beleid en de daar uit voortvloeiende beleidslijnen die de streektaal Limburgs (en daarmee de tweetaligheid!) nadrukkelijk moeten ondersteunen. Natuurlijk staat men over het algemeen positief tegenover onze streektaal, maar in wezen is dat te weinig. We mogen een visie verwachten die daadwerkelijk kan worden vertaald.
Nu ligt de verantwoordelijkheid voor een dergelijk beleid niet alleen bij de politieke partijen. Ook bij heel wat andere organisaties en instellingen ontbreekt een evenwichtig streektaalbeleid. Het mag duidelijk zijn: in deze rubriek wordt geen volledig overzicht gegeven van alle organisaties die op welke wijze ook, te maken krijgen met onze tweetaligheid. We geven slechts enkele voorbeelden.
We zouden mogen verwachten dat bij een opleiding voor logopedisten in onze regio informatie over tweetaligheid een belangrijke plaats zou innemen. De toekomstige logopedisten zullen doorgaans toch werkzaam zijn in een gebied waarin de streektaal nog zeer levendig is en een belangrijke plaats inneemt in het sociaal-culturele leven van de provincie. Helaas moeten we constateren dat in de opleiding geen aandacht besteed wordt aan de algemene taalkenmerken en klankleer van het Limburgs. Hoeveel “afwijkende” taal- en spreekvormen worden als gevolg daarvan beschouwd als foutief, terwijl een gedegen basiskennis van het Limburgs toch duidelijk anders leert!
Eenzelfde probleem doet zich voor bij de opleiding van leerkrachten voor het basisonderwijs: de pedagogische academie. Veel mensen voor de klas hebben geen flauw begrip van de positie van de streektaal Limburgs, laat staan dat ze over voldoende basiskennis beschikken. Ook hier blijkt dat er tijdens de opleiding nauwelijks of geen aandacht aan tweetaligheid wordt geschonken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men in die kringen nog vaak de opvatting hoort verkondigen dat alleen Nederlands spreken beter voor de ontwikkeling van het kind zou zijn! En dan “nebenbei”: in 2005 verscheen er onder auspiciën van de Raod veur ’t Limburgs een goed verzorgde taalmethode over het Limburgs: Dien eige taal. Mij is geen enkele basisschool bekend waar deze methode gebruikt wordt.
Onlangs wees prof. Leonie Cornips op een andere specifieke eentaligheidssituatie. Zij wees erop dat in kinderdagverblijven heel vaak uitsluitend Nederlands gesproken wordt en dat men daar verwacht dat de kleintjes dat zo spoedig mogelijk leren beheersen. Vanwaar deze keuze?? Waarom kan er geen plaats zijn voor de – op Europees niveau erkende – streektaal Limburgs? Eentaligheid aanbieden aan kinderen in een jonge taalgevoelige leeftijd is funest voor de streektaal. Deze kinderen moeten, wat de streektaal betreft, min of meer als verloren worden beschouwd!
Maar welke maatregelen moet men nou nemen. Roepen dat dit onacceptabel is, mag wel waar zijn, maar levert weinig resultaat op. Wat wel duidelijk is, is het gegeven dat we in al deze gevallen te maken hebben met een fundamenteel gebrek aan basiskennis van onze streektaal.
Voorlichting en informatie zijn dringend gewenst, maar hoe?
Wellicht een mogelijkheid: Limburg heeft voldoende mensen met kennis van zaken op dit gebied. Nu, deze zouden ingezet kunnen/moeten worden om informatie te verstrekken door lezingen, spreekbeurten, ontmoetingen. Een groep deskundigen onder leiding van bijvoorbeeld de Raod veur ’t Limburgs?
F.W., 19 maart 2015
Bron: sittard-geleen.nieuws.nl
Vastelaovend en Dialect
De vastelaovesbóm is al flink losgebarsten: Overal zijn er activiteiten, zoals zittingen, de NUL, het KVL (voor de kinderen), het LVK, Missen in het dialect. Er is, geloof ik, geen periode in het jaar te vinden waar het dialect zo in de belangstelling staat als nu. Sterker nog, ik denk dat carnaval niet zonder dialect kan bestaan. Al die leidjes en sjaele kal in het Nederlands??? Dat moet toch een bloeiperiode zijn voor het Limburgs waar het bijna de rest van het jaar op zou kunnen teren?!
Natuurlijk zijn we blij dat onze streektaal zo in de belangstelling staat. Daar is uiteraard niets op tegen, maar….. er zijn toch wel een paar kanttekeningen bij te plaatsen. En let wel: bedoeld wordt de taalverzorging zelf, niet de inhoud. Ik zal nu geen uitspraken doen over vraag of teksten wel voldoende niveau hebben of ze origineel zijn of juist typisch traditioneel. Dat vereist een totaal andere benadering die hier niet ter zake doet. Nee, wij letten eigenlijk uitsluitend op het taalgebruik zelf en de schrijfwijze, de spelling.
Hoe men het ook wendt of keert, de confrontatie is behoorlijk pijnlijk. Kort gezegd, het lijkt erop dat er maar wat aan geknoeid wordt. Bij plakkaten, uitnodigingen, programmaboekjes wordt een spelling gebruikt die al tientallen jaren als verouderd beschouwd wordt en die zelfs in die vroegere tijd al bekend was om haar inconsequenties. Maar in de carnavalswereld wordt die nog steeds fanatiek gebruikt door een kleine groep, waarbij men zich moet afvragen hoe groot de basiskennis is van de Limburgse klankleer.
Waardoor komt dat toch? Waarom houdt men halsstarrig vast aan regels die niet alleen allang verouderd zijn, maar die ook nog eens, zoals gezegd, inconsequent zijn. Bovendien verstoren ze in grote mate de herkenbaarheid van een woord, een basisprincipe binnen de spelling. Komt die starheid voort uit onkunde, onwetendheid of kortzichtigheid of door gebrek aan respect voor het taaleigen in de spelling???
Het is bekend dat de carnavalswereld nogal de neiging heeft oerconservatief te zijn en niet open te staan voor vernieuwing en aanpassing, zeker niet op taal- en spelniveau. Zo zijn er in die wereld wel heel bijzondere gevallen bekend voor spelling van de eigen plaatsnaam.
Het is en blijft op taalkundig niveau lekenwerk. Vaak goed bedoeld, maar desondanks toch onder de maat. Carnaval mag toch niet de periode zijn waarin maar al te vrijelijk met onze streektaal wordt omgesprongen.
Is er dan helemaal geen lichtpunt te ontdekken???
Gelukkig wel, want onlangs vielen er twee uitnodigingen op de mat die geschreven waren in goed verzorgd hedendaags Sittards en gespeld volgens de huidige Limburgse spelregels. Een verademing en een lust voor het oog: zo kan het dus ook! Hopelijk is dit het begin van een nieuwe trend waar zo ontzettend veel behoefte aan is!!
Zou u overigens graag nader advies over de wijze hoe u uw (carnavals-)teksten moet schrijven, neem dan gerust even contact op met:
www.willydolsstichting.nl
of nog directer: bel of mail: 046-4517203 / f.walraven@versatel.nl
Over het algemeen geldt: klaar terwijl u wacht!
Wie ich zelf vastelaovend vier? Es me get awwer wurt, geit dat natuurlik ouch angesj. Mer goud, es inleiding is ‘r op zaoterdigaovend ’t Vastelaovesconcert in de sjouwburg.
Mer ’t richtige begin is ‘r al meer es 30 jaor mit de H.Mès in ’t geboew van ’t Trevianum. Ózze sjtadsprins Arno III kump dao op bezuik, same mit ziene Wieze Raod, de directie van de sjool, geneudigde, awwesj, vrunj, kènnisse en belangsjtèllende. Die Mès begint óm 10.00 oer en wurt opgedrage door Mgr. De Jong.
Daonao: 3 daag vastelaovend: geweldig!
En op Esjelegounsdig sjloete veer ’t fees aaf mit ’n esjekrutske en eine zoeren hering…….
Ich wunsj uch allenej eine fiene en fejne vastelaovend!
F.W.; 29 jan. 2015
Taal en politiek
In de laatste aflevering van deze rubriek hebben we gesproken over de erkenning van ’t Limburgs als streektaal (1997) volgens de voorwaarden van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden (Straatsburg, 1992).
Deze erkenning houdt o.a. ook in dat iedere drie jaar een commissie van taalkundigen nagaat hoe onze Provincie vorm en inhoud heeft gegeven aan deze erkenning. De Provincie wordt bij haar beleid geadviseerd door de Raod veur ’t Limburgs.
We moesten echter helaas vaststellen dat het op lokaal niveau bijzonder slecht gesteld is met een beleid in de geest van het Handvest. We hebben gezien dat in de gemeente Sittard – Geleen geen enkele politieke partij in haar partijprogramma rept over een beleid aangaande de streektaal, c.q. de lokale dialecten.
Navraag in een aantal andere gemeenten bracht aan het licht dat ook daar geen politiek beleid werd/wordt ontwikkeld om de eigen taal te bevorderen en te behouden voor de toekomst. Men zou zich dus in eerste instantie gelukkig kunnen prijzen dat onze gemeente niet de enige is.
Maar dat is wel erg oppervlakkig geredeneerd! In werkelijkheid is de situatie in- en intriest. Op lokaal niveau blijkt de politiek dus niet of nauwelijks geïnteresseerd in een uitermate belangrijk aspect van het eigen cultureel erfgoed!
Bovendien is er ook nog sprake van een zekere discrepantie. Immers, het is een feit dat een aantal politieke partijen zowel op lokaal als provinciaal niveau actief zijn. Op provinciaal niveau steunen zij in grote lijnen het streektaalbeleid van de Provincie dat gebaseerd is op de uitgangspunten van het al vaker genoemde Handvest. Op lokaal niveau echter gebeurt er gewoon niets!
Ook de partijen die uitsluitend lokaal actief zijn, vormen geen uitzondering. Zij blijken in het geheel geen taalbeleid te hebben!
Het is op de keper beschouwd bijzonder merkwaardig. Zetten we een aantal zaken eens op een rij. Op Europees niveau wordt een erkende streektaal gezien als een van de fundamenten van het rijke Europese culturele erfgoed (zie rubriek 8: Pre-ambule).
Onze Provincie neemt eveneens eenzelfde standpunt in en weet zich in deze gesteund door een grote politieke meerderheid in de Staten.
Op lokaal niveau gebeurt er vervolgens niets; het lijkt erop dat daar iedere ontwikkeling strandt. Wat is de reden?? Geen interesse?? Maar dat moet uitgesloten worden geacht: ook op lokaal niveau dient de politiek zich in te zetten voor het behoud van de eigen taal.
Dat is een verplichting die voortvloeit uit de Europese erkenning. En die verplichting houdt in dat er gezocht moet worden naar een eigentijds en goed onderbouwd beleid, geheel in de geest van het Handvest: de eigen taal als een modern en volwaardig taalsysteem, een beleid wars van romantische ressentimenten.
Graag willen we terugkomen op de basisvoorwaarden van een dergelijk beleid.
F.W., 12 nov. 2014
En wie is ’t in Zittert – Gelaen?
Het is al enkele keren ter sprake gekomen in deze rubriek; de erkenning van het Limburgs als streektaal. Een erkenning zowel op nationaal (1997) als op Europees niveau (1998). Maar wat betekent dat nou?
Waarom hecht de Raad van Europa zo’n waarde aan onze Europese streektalen?
Het lijkt me daarom van het grootste belang eens na te gaan welke de visie van de Raad in dezen is. Dat standpunt hierover wordt samengevat in de Pre-ambule :
Het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, teneinde hun gemeenschappelijk erfdeel en idealen te bevorderen. De verscheidenheid aan talen is één van de meest kostbare bestanddelen van het Europese culturele erfgoed. Een Europese culturele identiteit ontstaat niet door de invoering van een standaardtaal.
Integendeel, met het beschermen en versterken van de traditionele streek- en minderheidstalen levert men een bijdrage aan de opbouw van Europa, die, overeenkomstig de idealen van de leden van de Raad van Europa, slechts kan zijn gegrondvest op pluralistische beginselen.
(Bron: Europees Handvest voor streektalen en talen van minderheden, nr.25, Straatsburg, 1992).
Zonder meer blijkt hieruit dat de Raad de streektalen ziet als een wezenlijk deel van het Europese culturele erfgoed. Dat betekent ook dat een taalgebied dat de erkenning “streektaal” wil verwerven, overtuigend aan een groot aantal criteria zal moeten voldoen.
We schreven het reeds eerder: het Limburgs kreeg de titel “streektaal” op basis van het taalkundig rapport Advies inzake erkenning Limburgs als streektaal (Sittard, 1996). De hierin verwoorde visie werd door de Staten van Limburg en het Ministerie van Binnenlandse Zaken overgenomen (1996-1997).
De Provincie Limburg
De Staten van Limburg hebben zich van het begin af aan zeer positief opgesteld t.a.v. de erkenning als streektaal. Zij zetten zich ook nu nog in om, waar mogelijk, de positie van het Limburgs te versterken onder meer door projecten financieel te ondersteunen. We denken hierbij aan de Lies van de Limburgse plaats- en gemeentenamen en de Spelling 2003 van de Limburgse dialecten.
Maar evenzeer denken we aan de totstandkoming van de Raod veur ’t Limburgs en de benoeming van prof. L. Cornips.
Daarbij mag men gerust stellen dat dit stimulerende beleid door een grote meerderheid van de politieke partijen gesteund wordt.
Wat velen niet weten is dat het beleid van onze provincie geregeld getoetst wordt door een commissie taalkundigen in opdracht van de Raad van Europa.
De gemeente Sittard-Geleen
Er bestaat een grote belangstelling voor de streektalen, zowel op Europees, nationaal en provinciaal niveau. Natuurlijk rijst de vraag hoe de politieke belangstelling op lokaal niveau is. Laten we kort zijn: die is duidelijk zwaar onder de maat!
Enkele maanden geleden hebben we de gemeenteraadsverkiezingen gehad. Het is bijzonder interessant om in die periode de partijprogramma’s te lezen, waarbij we ons beperken tot het aspect Cultuur. In die programma’s staat nadrukkelijk vermeld welke politieke koers een partij denkt te gaan varen.
Wat ontdekten we tot onze grote schrik?
Géén, letterlijk géén van de politieke partijen, besteedt ook maar één woord aan een taalbeleid met betrekking van het eigen dialect als deel van de streektaal Limburgs.
Kort samengevat: promoten en steunen van de eigen dialecten staat in het geheel niet op hun agenda!! Laat staan een beleid in de geest van het Europees Handvest!
Niet te geloven……..
We komen graag op deze kwestie terug, maar wel na de Oktoberfeesten…..!!
F.W. (02-10-14)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Meer wille weite euver eur taal??
Met een knipoogje naar een bekende uitspraak is het toch mogelijk te zeggen dat de liefde tot je stad en haar dialect eigenlijk voor de meesten van ons geldt. Wie heeft niet die specifieke binding met zijn eigen dialect, doorgaans de eerste taal in je leven, die je vervolgens ook niet meer kwijtraakt.
Natuurlijk, je mag best trots zijn op je dialect, als je de deuren en ramen van je eigen cultuur maar openhoudt en niet vervalt in een eng chauvinisme met de oogkleppen op. Onze streektaal, het Limburgs, waarvan o.a. het Sittards en het Geleens deel uitmaken, is officieel erkend als deelaspect van de Europese cultuur. Het is op dit moment zelfs zo dat de universiteit van Oslo geïnteresseerd is in de verdere ontwikkeling van de streektaal Limburgs.
Ik ben van mening dat de doorsnee dialectspreker het liefst zou zien dat zijn taal behouden blijft. Dat zal zeker niet vanzelfsprekend zijn, omdat onze dialecten sterk onder druk staan. Willen we een reële basis creëren voor een gezond toekomstperspectief voor onze dialecten, dan moeten we de huidige taalsituatie als uitgangspunt nemen. Dit geldt voor iedere taal: alleen de huidige taalsituatie kan de basis vormen voor de toekomstige taalsituatie.
De officiële erkenning van het Limburgs als streektaal (1997) gaat dus ook uit van de hedendaagse taalsituatie, dat wil zeggen de taal van nu met haar typische eigenheid. Alleen de taalvorm als levende taal biedt veel kansen en mogelijkheden om aan een volgende generatie door te geven. Zij is immers niet alleen voor nu, maar ook voor de toekomst.
Deze taalvorm nu met al zijn bijzondere facetten dient als basis voor de cursus “Taal en Teks” die op maandag, 29 september begint. Voor allen die het Sittards een warm hart toedragen, is dit een unieke mogelijkheid om uitgebreid met hun taal kennis te maken, met haar schoonheid, haar ”eigen-aard”-igheden, haar complexiteit, haar spelling.
Bovendien vormt deze cursus een uitstekende basis om deel te nemen aan het ”Zittesj Dictee” dat ook dit jaar weer plaats vindt in het kader van de “Wèntjerdruim”. Dat dictee is gepland voor half december. De cursus is dan juist afgesloten, zodat men optimaal voorbereid aan dit evenement kan deelnemen!
U bent nieuwsgierig geworden?
Nu, alle verdere informatie kunt u vinden op de website www.willydolsstichting.nl van de gelijknamige stichting, genoemd naar de grote Sittardse taalkundige Willy Dols (1911-1944) die als een van de eersten uitging van de eigenheid van het Sittards.
F.W. (05-09-2014)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
De positie van het Limburgs……
De laatste weken werden we in de beide Limburgse kranten geconfronteerd met artikelen waarvan de auteurs zich nogal laatdunkend uitlaten over onze streektaal.
Terecht heeft Wim Cuypers beide heren overtuigend van repliek gediend.
Wat de beide auteurs blijkbaar niet weten is dat ons Limburgs als taal niet opgesloten is in een “bekrompen” Limburg, maar in feite een veel grotere erkenning als Europees cultureel erfgoed geniet!
Een toelichting lijkt me hier wel op zijn plaats!
De Raad van Europa heeft zich in de jaren ’80 van de vorige eeuw beziggehouden met de vraag wat nu als wezenlijk Europees cultuurelement beschouwd kon worden. Deze overwegingen hebben ertoe geleid dat in 1993 het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden verscheen. In dit Handvest wordt aangegeven wat de taalkundige en culturele waarde van de streektalen en de standaardtalen voor Europa betekent. Tevens worden er voorwaarden gesteld waaraan streektalen moeten voldoen om als streektaal erkend te kunnen worden.
Een belangrijk uitgangspunt in dit Handvest is het feit dat met name streektalen worden gezien als een wezenlijk aspect van de Europese cultuur. Er dienen, aldus het Handvest, dan ook zodanige maatregelen genomen te worden dat het voortbestaan van deze regionale talen zoveel mogelijk gewaarborgd dient te zijn.
Het is het toenmalige hoofdbestuur van Veldeke Limburg geweest dat het initiatief heeft genomen voor een haalbaarheidsonderzoek om het Limburgs erkend te zien als streektaal volgens het eerder genoemde Handvest. Uit dit onderzoek bleek overtuigend dat het Limburgs ruimschoots voldeed aan de gestelde voorwaarden.
Op grond hiervan heeft de Provincie Limburg, die zich in deze kwestie gesteund wist door alle politieke partijen in de Staten, een verzoek ingediend bij Binnenlandse Zaken (1996) om het Limburgs op nationaal niveau erkend te zien als streektaal.
Begin 1997 liet het ministerie weten dat het de aanvraag positief had beoordeeld: het Limburgs was nu op nationaal niveau erkend als streektaal. Toen het Handvest in 1998 door een meerderheid van Europese staten ondertekend was, werd het Limburgs ook op Europees niveau erkend als streektaal. En dat is het tot op de dag vandaag: een aspect van het Europees culturele erfgoed met een typische eigenheid! En bovendien een volwaardig en eigentijds taalsysteem!!
Een gegeven om met recht trots op te zijn!
Hoe echter is in dezen de situatie in de gemeente Sittard-Geleen???? Daarover graag een volgende keer.
F.W. (15-08-14)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
“Veer” euver “hun”……
Eerder hebben we eens gesproken over een aantal vooroordelen van anderen, met name “Hollanders”, over ons.
En inderdaad, we hebben gemerkt dat er best een aantal vooroordelen zijn die niet alleen best pijnlijk zijn, maar bovendien nog zeer levendig ook!
Maar hoe is het met onze vooroordelen over de “Hollanders” gesteld? Hebben wij soms géén vooroordelen of zijn die wellicht ernstig? Dus: hoe staan “wij” tegenover “hen” ?
Nogal wat Limburgers zien de niet-Limburgers, en met name de “Hollanders” als indringers die proberen zo spoedig mogelijk de touwtjes in handen te krijgen. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit in nogal wat bedrijven inderdaad het geval is geweest. Waarschijnlijk komt dat voort uit het feit dat “wij” vaak een te afwachtende houding aannamen, met als gevolg dat de “ander” alerter reageerde en die hogere positie innam. Dat had weer tot gevolg dat zij samen weer een bijzondere groep vormden die zich onderling weer verstevigde. We denken hierbij bijvoorbeeld aan de vroegere beambten-casino’s, voor een duidelijk omschreven groep waar niet iedereen zo maar bij hoorde.
Bovendien vinden “wij” dat “ze” over het algemeen te weinig belangstelling hebben voor onze volkscultuur. En in wezen is dat ook zo. De rijke volkscultuur die het westen van ons land ooit had, is door de invloed van het calvinisme en de verregaande verstedelijking vrijwel verloren gegaan. De zo bejubelde “Hollandse nuchterheid” heeft de overhand gekregen, d.w.z. dat het economisch aspect als het belangrijkste gezien wordt. Dat heeft wel tot gevolg dat het zo wezenlijk “savoir vivre”-aspect weggedrukt is uit het leven van alledag.
We treffen dit wel aan in onze van huis uit katholieke (en dat zeker niet negatief bedoeld!!) zuidelijke provincies. En daar niet alleen! We vormen met deze instelling slechts een klein onderdeel van een vele malen groter Europees fenomeen. Het is dit aspect dat het leven uit zijn alledaagse nuchterheid haalt en kleur geeft.
Het ontbreken van dit kleurrijk levensaspect leidt in de Hollandse gebieden tot nogal wat misverstanden met betrekking tot de Zuid-Nederlandse volkscultuur. Wie kent niet de denigrerende opmerkingen over o.m. carnaval, kermissen, processies?
Zo worden in dat licht ook onze dialecten vaak gezien als een vorm van culturele achterlijkheid. Een visie die onlangs ook in twee artikelen in onze regionale pers werd verkondigd!!!! Je moet maar durven! Onze streektaal is daarentegen juist een zelfstandige taal, zowel op nationaal als Europees niveau erkend als een typisch cultureel erfgoed!
Zij vraagt van ons geen “schuilen achter”, maar een bewustwording van de eigen culturele identiteit.
© F.W. (22 juli 2014)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Van boete aaf : Zie euver ós
In de regionale kranten verschijnen artikelen met interviews van mensen die hier van elders (vanuit Holland) zijn komen wonen en werken. Zij geven hun visie op “de Limburger” zoals zij die zagen vóórdat ze “emigreerden” naar het zuiden. En die visies blijken niet meer te zijn dan vooroordelen over een bevolkingsgroep die men niet of nauwelijks kende.
Opvallend daarbij is het negatieve imago van de Limburger buiten zijn provinciegrenzen.
Opvattingen die er niet om liegen! Een paar voorbeelden: de Limburger is dom, kleinburgerlijk, conservatief. Zo, dat weten we dan ook weer! Overigens blijkt dat niet-Limburgers als ze eenmaal hier wonen, hun meningen snel herzien. Maar de vraag blijft toch hoe het mogelijk is dat dit soort hardnekkige vooroordelen blijven bestaan. Nu zijn daar verschillende verklaringen voor die we uiteraard niet in deze rubriek bespreken. Beperken we ons tot de relatie “Hollands” versus dialect.
Veel niet-dialectsprekers zijn van mening dat men de dialectspreker niet serieus kan nemen. Want een dialect is toch “immers” een min of meer weggezakte vorm van de Standaardtaal en derhalve een onderontwikkelde taalvorm. Het is daarom logisch dat een dialectspreker tot de eenvoudigen van geest gerekend moet worden. Deze visie is natuurlijk onzin; toegeven eraan is geen optie, temeer omdat het gewoon, zoals gezegd, niet waar is!
Het is en blijft echter tegen dergelijke vooroordelen te vechten!
Het is in de taalkunde al jaren bekend dat de Limburger “trager” spreekt en dat heeft tot gevolg dat hij door met name veel “Hollanders” op grond daarvan als minder intelligent wordt beschouwd. Daar komt nog bij dat de “Hollander” zelf over het algemeen directer is, sneller reageert, iemand van een recht-toe-recht-aan cultuur, “veursjneppetiger”. Bovendien is het Hollands-Nederlands dat we zo goed van de televisie en radio kennen (ook wel polder-Nederlands genoemd) korter, killer. Het maakt namelijk veel minder gebruik van de stem (het is “stemlozer”, zoals dat in de klankleer heet).
De Limburger daarentegen heeft de neiging een wat afhoudende houding aan te nemen, wat vaak als niet positief geduid wordt. Maar eenzelfde houding vinden wij ook in veel andere West-Europese landen waar de directheid (“Ik zeg wat ik denk”) vaak niet op prijs gesteld wordt.
En dan is er nog een bijzonder interessant gegeven! Onze dialecten zijn in hun klankleer duidelijk complexer, gebruiken veel meer de stem bij het spreken (ze zijn “stemhebbender”), zegt de vakman. Bovendien spelen andere factoren als stoottoon en sleeptoon (waarover later meer), rekkingen van klinkers en muzikaliteit een zeer belangrijke rol.
Concreet betekent dit dat men die taal door al die factoren iets langzamer uitspreekt. Dat is zo. Maar om nu te beweren dat dat met intelligentie te maken heeft…………………
F.W. (juni 2014)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
’n Dialek, is dat waal ’n taal ?
Het levert soms bizarre situaties op als mensen over “taal” spreken. Wat “taal” inhoudt, daar heeft men over het algemeen wel een min of meer duidelijk idee over. Je gebruikt die immers in de algemene communicatie, zowel mondeling als schriftelijk. Bovendien zegt “taal” ook iets over je algemene ontwikkeling, zo heb ik begrepen. Immers, een beschaafd en ontwikkeld iemand spreekt over het algemeen géén dialect! Daarbij komt ook nog dat dialect spreken typisch iets voor “de provincie” is.
Zo, dat is duidelijke taal! Dat is in elk geval een visie op taal/dialect. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er hier sprake is van een stevig vooroordeel. En dat is het gemakkelijke van een vooroordeel: je oordeel staat van tevoren reeds vast, zonder dat je je op enigerlei wijze verdiept hebt in het onderwerp.
U meent dat dat maar zelden voorkomt?? Zeker op het gebied van taal/dialect zijn er nog een behoorlijk aantal vooroordelen op te ruimen. We zullen ze zeker niet uit de weg gaan.
Maar wat zegt nu de taalkunde over de relatie taal/dialect? Taalkundigen maken geen onderscheid tussen “taal” en “dialect”, want een dialect is een taal, zij het van beperktere geografische omvang. Zij gaan immers uit van aantoonbare criteria binnen de moderne taalkunde, criteria o.a. op het gebied van de zinsbouw en de klankleer, waarbij in het bijzonder gelet wordt op de eigen-aardige aspecten van die taal.
Deze uitgangspunten kunnen worden toegepast op elke taal, dus ook een dialect. Wat blijkt nu? Die taalkundige blauwdruk past ook volledig op een dialect als het Sittards! Dat betekent dus dat we in ons (Sittards) geval mogen concluderen dat ons dialect een volwaardig eigentijds taalsysteem is. Het heeft, net als andere taalsystemen, zijn eigen regels en wetmatigheden die door de gebruiker gerespecteerd dienen te worden.
Waarom zou men de regels/wetmatigheden van bijvoorbeeld het Nederlands wel respecteren en die van de eigen taal, het dialect niet?? Merkwaardigerwijs wordt dit voor het eigen dialect helaas niet altijd als vanzelfsprekend ervaren! In feite een vreemde zaak.
Is de “ontdekking” van het gegeven dat dialect taal is, zo nieuw dat eigenlijk nog niemand er nog goed kennis van heeft kunnen nemen? Evenzo geldt het feit dat de dialecten gerekend worden tot het Europees cultuurgoed. Ze zijn namelijk eeuwen ouder dan de Standaardtaal die uit die dialecten is voortgekomen.
We kunnen kort zijn: nee, want deze gegevens zijn al vele tientallen jaren bekend, maar vaak nauwelijks/niet vertaald in een passend taalbeleid. En waar komen desondanks die hardnekkige vooroordelen vandaan en wat kan men er tegen ondernemen?…………..
We praten graag verder: wordt vervolgd.
F.W. (22 mei 2014)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Op z’n paosjbès…….
Pasen, dat is de eerste zondag na de eerste volle maand in de lente. Dat is dus niet zo maar een dag. Voor velen is deze zondag het echte begin van de lente, het begin van het nieuwe leven, gesymboliseerd door (geverfde) eieren.
Maar Pasen is voor de christenen ook het hoogtepunt van het kerkelijk jaar, want dan wordt de verrijzenis van de Christus herdacht, de overwinning op de dood.
Een echte feestdag dus en dat liet men blijken ook. Het nieuwe, het bijzondere van deze dag werd uitgedrukt in nieuwe kleding: men liep er op op z’n Paasbest bij, d.w.z. tot in de puntjes verzorgd! Hoe anders is het tegenwoordig; velen lopen er “casual” bij, zo ongeveer in de doordeweekse kleding, want het feestelijk karakter van die dag is voor velen vrijwel verloren gegaan. Het “hoogfeest” is veranderd in een langer vrij weekend. “Gelukkig” gaan op Tweede Paasdag al heel wat winkels en woonboulevards weer open!
Daaruit blijkt dat de visie op gebeurtenissen aan verandering onderhevig is, de cultuur van de mens is veranderd. Dat betekent ook dat de gebruiken, de tradities door die nieuwe cultuur mee veranderen. Want zij krijgen immers hun inhoud door die cultuur die andere, nieuwe tendensen aangeeft.
Deze ontwikkeling is niet nieuw: zo is het van generatie op generatie gegaan. Zoals gezegd, nieuwe generaties zetten andere accenten, beleven zaken anders, passend bij die tijd, en vernieuwen zodoende de tradities in die mate dat die dan aansluiten bij het veranderde cultuurbeeld. In dat licht kan men natuurlijk ook niet beweren dat bepaalde tradities vroeger beter zouden zijn geweest. Er bestaat niet zoiets als een “betere laag”. Tradities zijn immers géén statisch gegeven, zoals veelal gedacht wordt. Het mag duidelijk zijn dat zij mee evolueren, dus duidelijk dynamisch zijn.
Hoe zit dat dan met onze eigen taal, ons dialect?? Taal is toch immers een wezenlijk aspect van een cultuur. Uit het bovenstaande mag blijken dat dus ook onze taal niet stilstaat, maar zich mee ontwikkelt in de geest en denkbeelden van de nieuwe tijd. Dat geldt net zo goed voor onze Standaardtaal (vroeger sprak men van A.B.N.) als voor onze dialecten. Iedereen weet dat maar al te goed. Een voorbeeld: het Nederlands van de 18e eeuw is duidelijk anders dan het huidige. Volkomen logisch zal men zeggen. Maar deze redenering gaat nu duidelijk toch veel verder. Zo zal niemand het vreemd vinden dat het Limburgs van bijvoorbeeld Henric van Veldeke (tweede helft 12e eeuw) nauwelijks met het moderne Limburgs te vergelijken is. Sterker nog: zonder diepgaande studie is dat Limburgs voor ons niet te begrijpen.
En onze dialecten dan? Zij blijven toch ook niet achter in de ontwikkeling die we geschetst hebben? Natuurlijk, er zijn bepaalde ontwikkelingsfasen te onderscheiden, maar ontwikkeling blijft het kernwoord. Welke zin heeft het dan in dit perspectief om vast te blijven houden aan het dialect van “vroeger”? Daarbij komt ook nog een ander aspect: als men zijn dialect wil stimuleren en door wil geven aan een volgende generatie, welk beleid moet er dan gevoerd worden om dat doel te bereiken???
Dat lijkt me een kwestie om nog eens heel goed over na te denken: hoe ziet men de huidige situatie van ons dialect en welk beeld heeft men van de taalkundige toekomst?
F.W. (Pasen 2014)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl
Algemeen
Er wordt toch al heel wat afgepraat over eigen taal, identiteit, dialect. Soms onderhoudend, humoristisch, soms erg leerzaam, maar ook vaak met een venijnige ondertoon. (Veronder-)stellingen en visies vliegen door de lucht, meestal met als onderbouwing dat het nu eenmaal zo is en niet anders. Anderen maken over deze zaken geen woord vuil, want wat is nu dialect, taal??
Het is daarom een beetje merkwaardig dat de titel van deze tekst al begint met een min of meer dubbele betekenis. Moet hij gelezen worden als een opdracht óf zit er soms toch meer een verzoek in opgesloten?
Wellicht zijn beide betekenissen mogelijk, als “opdracht” maar niet vertaald wordt als een soort “bevel”. Want een bevel is een opdracht van buitenaf en dus in dit kader volstrekt zinloos. Immers, genegenheid voor je taal en cultuur is en blijft een voorwaarde om ze te respecteren. Dat kun je niet met een “bevel” afdwingen. Maar of dat voldoende is, is maar zeer de vraag!
Want: wat is “respecteiere”? En hoe laat je dat blijken? Men moet toch minstens al een min of meer duidelijk beeld hebben van die taal. En daarmee begint al een stevig probleem! Bedoelt de een die taal uit de “goede oude tijd”, toen de mensen nog “zuiver” dialect praatten, zoals wel beweerd? Zie ik die taal als een overblijfsel van een vroegere tijd, een stuk traditie waarvoor zou gelden: “…zo mót ’t blieve”? Dus geen verandering?
Rangschikken we die taal onder het begrip “cultureel erfgoed”. En wat betekent dat dan wel? Bedoelt men daarmee een statisch gegeven óf een duidelijk dynamisch aspect? Dat laatste betekent dat de aandacht meer gericht is op het huidige taaleigen.
En dan die taal zelf. Welke plaats neemt die in in de cultuurvisie van iemand? Het is zeer wel mogelijk dat “dialect” niet onder het begrip “taal” valt. Een mening die nogal eens verkondigd wordt, zo in de geest van: “Je gaat me toch niet vertellen dat een dialect een taal is??” Een interessant standpunt!
Óf: dialect is een weggezakte taalvorm van het Nederlands. Óók interessant!
Óf: dialect is de taal van de “gewone man”, de taal van de carnaval en alles wat daarmee te maken heeft. Óók interessant!
In elk geval een alleszins aardig aspect om in volgende artikelen eens nader te bekijken. Het zal zeker kunnen leiden tot verrassende inzichten, als men tenminste open wil staan voor andere meningen. Stel: men is zelf van mening dat men zijn taal een warm hart toedraagt, accepteert men dan ook de regels en wetten van die taal, ook al blijken die af te wijken van wat men eerst dacht??
Vaak is dat vlugger gedacht dan gedaan. Wie ziet nu graag zijn soms jarenlang gekoesterde mening zo ingrijpend ter discussie worden gesteld?
In een aantal artikelen zullen we het een en ander eens onder een vergrootglas moeten leggen en kritisch bekijken. Met als doel? Een dieper inzicht en groter respect voor die eigen taal die dat zeker verdient.
F.W. (12-04-14)
Bron : sittard-geleen.nieuws.nl