Overzicht Zittesje Sjpelling

Overzicht van de gebruikte tekens in het Sittards:

Deze zijn:

de klinkers (de monoftongen);
de tweeklanken (de diftongen);
de medeklinkers (de consonanten).

De klinkers (ook wel éénklanken of monoftongen genoemd) kan men verdelen in:

kort
lang
i (pit)
ie (kieke)
i (visie)
e (sjtek)
ee (bees)
e (sjpele)
u (prut)
uu (buurt)
u (vure)
eu (sjteun)
o (kop)
oo (sjool)
o (sjole)
oe (sjoere)
a (tak)
aa (vaar)
a (vare)
ö (pöt)
äö (sjträötje)
è (zègke)
ae (paerd)
ó (zón)
ao (kaod)

[ə], de zogenaamde sjwa; dat is een onbeklemtoonde klinker, zoals men die hoort in de, m’n, ’t, ‘ne, wanjele.

2. De tweeklanken (diftongen) zijn:

au/ou – ui – ei – aw – ……ij: paus/ goud – gruin – kawd – tonijn (naast tonien)

3. De medeklinkers (consonanten)

stemloos
stemhebbend
p
h
t
d
k
gk
f
v
s
z
ch
g
 
h
 
m
 
n
 
ng
 
l
 
r
 
j
 
w

De on-Nederlandse korte klinkers è, ö, ó.

de è
dit teken komt voor in woorden als:
1. bèd (bed)
2. nèt (net)
3. vèt (vet)
4. mès (mest, Mis)
5. oplètte (opletten)

de ö
dit teken komt voor in woorden als:
1. völle (vullen)
2. pöt (put)
3. mösj (mus)
4. bölke (bolletje)
5. mögke (muggen)

de ó
dit teken komt voor in woorden als:
1. kómp (kom)
2. lóch (lucht)
3. mótte (moeten)
4. jónk (jong)
5. póndj (pond)

De on-Nederlandse lange klinkers ae, ao, äö.

de ae
dit teken komt voor in woorden als:
1. gaer (graag)
2. vaer (veer)
3. paerd (paard)
4. kaetel (ketel)
5. vergaete (vergaete)

de ao
dit teken komt voor in woorden als:
1. kraom (kraam)
2. sjtraot (straat)
3. paol (paal)
4. laote (laten)
5. maon (maan)

de äö
dit teken komt voor in woorden als:
1. kräömke (kraampje)
2. sjträötje (straatje)
3. päölke(paaltje)
4. väöl (veel)
5. häör (haar)

Typische spellingsproblemen

ó of (korte) o ?

De keuze tussen ó en o wil wel eens tot problemen leiden.
Luister daarom kritisch naar de uitspraak. Vergelijk:

ó
o
1. kómp
1. kop
2. (ich) mót
2. mot
3. póndj
3. vos
4. róndj
4. pot
5. lóch
5. bol

è of (korte) e?

Ook wordt de keuze tussen è en e wordt wel soms als moeilijk ervaren.
Luister daarom kritisch naar de uitspraak. Vergelijk:

è
e
1. (doe) bès
1. res (rest)
2. (de) wèt
2. get
3. vèt
3. flesj
4. lèntj
4. wesj (de was)
5. bèd
5. mets (mes)

naast ó en è ook nog ò en é ?
Het teken ò komt in de spelling van het Limburgs niet voor. Alleen het teken ó kan gebruikt worden.
Het teken é komt in het Limburgs ook niet voor. Wel in leenwoorden uit het Frans: Visé, coupé.

ae of ea?

Men moet zich realiseren dat de combinatie ea twee klanken weergeeft die elk apart worden uitgesproken: re-ageren; Be-atrix; be-amen.De combinatie ae is het teken voor een lange klinker: gael; gaer; paerd.

ao of oa?

Het antwoord kan kort zijn: in het Sittards komt de combinatie oa niet voor; uitsluitend de vorm ao. ( maon, sjtraot;graot).
De combinatie oa komt wel voor in andere (Zuid-) Limburgse dialecten en wordt daar dan als een tweeklank uitgesproken. Voorbeeld: sjoal. Uitspraak: sjoo-al.

de combinatie- gk- en –k-

Het is gebruikelijk dat men van het basiswoord uitgaat dat eindigt op een stemloze k. In het meervoud echter wordt deze- k- stemhebbend en wordt dan geschreven als –gk. Enkele voorbeelden:

1. rök (rug)
1. rögke
2. mök
2. mögke
3. wèk
3. wègke
4. hèk
4. hègke
5. bak
5. bagke

moder of mooder?

Uitgangspunt is de spelling die men van kinds af aan geleerd heeft: de spelling van het Nederlands. Men sluit dus aan bij het bekende. Dat betekent dat men geleerd heeft dat in een open lettergreep slechts één teken wordt gebruikt (het economisch principe). Dus: moder, vader; wages; grote; erepries.

väöl of vööl?
In dit geval is er sprake van een zogenaamde umlautwerking. Dat betekent dat de basisklank van de äö de klank ao isTer vergelijking: paol – päölke; sjtraot – sjträötje. Bij de öö zou dan de basisklank oo moeten zijn. Dat is uitgesloten, want de umlautsvorm van oo is eu. Voorbeeld: eine poot – twee peut.
De vorm vööl ziet men wel in de naam van een of andere vereniging/ stichting: trööt; gööt. Meestal is de naam ingeburgerd of is zelfs notarieel vastgelegd. Het is dus logisch dat men niet streeft naar wijziging en de bestaande situatie accepteert.

höbste – höb ste – höbs te – höbs-te?
De vorm höbs te is de juiste, want hij bestaat uit een persoonsvorm + het onderwerp. Ook in het Nederlands worden die niet aan elkaar geschreven. Ook een verbindingsteken is niet gebruikelijk. Wel hoort men vaak se i.p.v. te.
Dus: löps te/löps se; wanjels te/wanjels se; drinks te/drinks se; sjrifs te/sjrifs se.

ei of ij?
De keuze voor de Limburgse dialecten is ei. Men schrijft alleen ij als die ook in het Nederlands voorkomt, zoals in tonijn (naast tonien).
In de gevallen waarin het Nederlands geen ij -klank heeft, maar men hoort wel een
ij -klank in het Sittards, schrijft men ei: veier, veil, knei, deif.

ou of au?
De keuze voor de Limburgse dialecten is ou. Men schrijft alleen au als het woord in het Nederlands en het Limburgs hetzelfde klinkt en met een au geschreven wordt.
In de gevallen waarin het Nederlands geen au -klank heeft, maar men hoort wel een
au -klank in het Sittards, kiest men voor ou: bloum, roupe, gounsdig, vout, ouch.

dat-s te/doe en wie-t geer.
In o.a. het Sittards komt een bijzonder merkwaardige combinatie voor en wel bij doe/te en geer. De spelling ervan wordt nog wel eens als problematisch ervaren.
Vandaar een aantal voorbeelden:

doe/te geer
waat-s te (ook: waat-s se)                  ~   waat geer
wie-s doe/te (ook: wie-s se)                ~   wie-t geer
die-s doe/te ( ook: die-s se)                ~   die-t geer
dat-s doe/te (ook: dat-s se; das se)    ~   dat geer

de klank “korte a + w”
De spelling voor deze combinatie is aw, en niet auw of ow. De vorm aw komt in het Midden-Limburgs, onder andere in het Sittards, veel voor.
Voorbeelden: kaw(d)aw(d)gaw.
N.B.: een vorm als gauw klinkt niet hetzelfde als gaw, maar als de au in paus.

zelf of zellef; mert of merret ?
Tussen bepaalde medeklinkercombinaties hoort men wel een kleine overgangsklank die echter géén volwaardige klinker is. Dat “wriemeltje” nu wordt niet geschreven.
Enkele voorbeelden:
tussen r en merm, werm (en niet: errem, werrem);
tussen l en fèlf, zelf, twelf;
tussen l en kmèlk, valk,balk;
tussen r en fkörf
tussen r en pdörp

de stoottoon en sleeptoon
Bekend is dat er in de Limburgse dialecten sprake is van stoot- en sleeptoon. Over het algemeen wordt dit verschil in teksten niet aangegeven, alleen wanneer dit strikt noodzakelijk wordt geacht, bijv. in wetenschappelijk werk.
Het teken voor de sleeptoon is een enkelvoudige tilde(~); dat voor de stoottoon een backslash ( \ ).
Een voorbeeld: goud (metaal) en goud (goed)gou~d en gou\ d.

w” of “j” op het woordeinde na klinker of tweeklank

de w:
De spelling van het Limburgs heeft als regel: de afsluitende w na au of ou wordt geschreven op dezelfde wijze gebruikt waarop die ook in het Nederlands voorkomt.
Voorbeeld: pauw, rouw, geboew.

de j:
a. de afsluitende j wordt niet gebruikt bij woorden die eindigen op ie, ei of ij: deze klanken hebben van zichzelf al een j-einde.
Voorbeeld: hie, zie, blie, Marie.
b. de j wordt wel na uu geschreven, wat in het Nederlands niet voorkomt. Het is een typisch Limburgs verschijnsel.
Voorbeeld: Truuj, luuj, per(re)pluuj, revuuj (ook: revue).

hóndj of hóntj?
Bij zelfstandige naamwoorden wordt de eind- d of –t geschreven zoals in het Nederlands.
Voorbeeld: handj, móndj, bóntj.

de op het woordeinde
Net als in het Nederlands wordt ook in het Limburgs de slot-h gebruikt om aan te geven dat de voorafgaande klinker kort is.
Voorbeeld: meh, bah, deh, eh, oh.

handj of hanjdj?
De “verzachting” (de zg. mouillering) wordt per klinkergroep maar één keer aangegeven. Dit in verband met de herkenbaarheid van een woord.
Voorbeeld: handj, móndj, geldj (en niet: hanjdj, mónjdj, geljdj).

de spelling -nk- en niet -ngk-
De spelling -ngk- komt in het Nederlands niet voor. Voorbeeld: koning wordt koninklijk, koninkrijk en niet koningklijk, koningkrijk.
Deze regel geldt ook voor de Limburgse dialecten. Dus: keuning > keuninklik, keuninkriek.

d’r of t’r?
Gangbaar is de zg. niet- gereduceerde vorm van hae, d.w.z. de vorm zonder dat er gelet wordt op de uitgang van het voorafgaande woord. Dus d’r en niet t’r.
Dus: zou d’r kómme?; mót d’r mitgaon; wit d’r waal… en niet: mót t’r; wit t’r.

jannuwari of januaritillefoon of telefoon?
Er zijn heel wat woorden die in het Limburgs precies hetzelfde worden uitgesproken als in het Nederlands. Toch menen veel dialectsprekers een verschil te horen dat er in werkelijkheid niet is.
Dus daarom gewoon: televisie, telefoon, januari, februari, (ook: fibberuari), presenteiere, president, reserveiere (en niet rizzerveiere!)

leenwoorden als ingenieur, computer, poëzie.
Ook hier geldt de algemene regel: wat in het Sittards hetzelfde wordt uitgesproken als in het Nederlands wordt ook geschreven zoals in het Nederlands. (regel van de herkenbaarheid!).
Dus: ingenieur, repertoire, soirée, computer, poëzie en niet vormen als inzenjeur, rippertwaar, s/zwaree, compjoeter, powezie.

cent of sentcitroen of sitroen?
Ook hier geldt dezelfde regel als genoemd in 27. er is geen enkele reden om hiervan af te wijken. Dus gewoon: cent, citroen.
Uitzondering is een woord als circus dat helemaal door het Sittards is opgenomen.
In een dergelijk geval geldt: sirk.

receptie of resepse?
Er zijn nog enkelen die de verouderde en afgesleten vormen gebruiken als resepse.
Het moderne Sittards kent deze vormen in het geheel niet meer. Algemeen spreekt men van receptie, inspiratie, insjtallatie.