Zittesj dialect

Het Zittesj dialect is een Limburgs dialect en kenmerkt zich in het bijzonder door diftongering (lees verder over de typische aspecten van het Sittards)

Het Limburgs

De Limburgse dialecten onderscheiden zich binnen het Nederlandse taalgebied op drie manieren.

  1. Ten eerste heeft het een karakteristieke, eigen woordenschat, met een groot aantal begrippen die niet in het Nederlands of het Duits voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan woorden als kalle (“spreken”), nöt (“lelijk, vies”) of vreigele (“ruzie maken”), veuropsjöt/-achteropsjöt (“eerste/-laatste schutter van zestal”). Ook heeft het Limburgs eigen persoonlijke voornaamwoorden : ich, doe, dich, geer.
  2. Ten tweede worden veel woorden die ook in het Nederlands of Duits worden gebruikt, in het Limburgs duidelijk anders uitgesproken.
  3. Een derde belangrijk kenmerk is dat het Limburgs een zogenaamde toontaal is. Door een woord op een andere toon uit te spreken, geef je in veel Limburgse dialecten het woord ook een andere betekenis. Zo betekent “wies” uitgesproken met sleeptoon (gerekt en dalend) “verstandig” maar met een stoottoon (kort en stijgend) “melodie”. Het Nederlands kent deze mogelijkheid niet.

Deze unieke situatie heeft er dan ook toe geleid dat het Limburgs in 1997 zowel door de Nederlandse regering alsook op Europees niveau officieel is erkend als streektaal (status II) door middel van het “Europees Handvest voor streektalen en talen van minderheden”. In dit kader zijn “dialecten” plaatselijke varianten van de streektaal Limburgs. In Nederland heeft verder het Nedersaksisch eenzelfde status en heeft het Fries status III en staat daarmee gelijk aan de standaardtaal Nederlands.

Sittards als Oost-Limburgs dialect

Het Sittards behoort taalkundig tot het Oost-Limburgs (net als het Geleens). Het Oost-Limburgs kenmerkt zich door het feit dat zij bij de medeklinkercombinaties sp-, st-, sl-, sm-, sn-, en zw- aan het begin van het woord een sj- klank gebruiken : sjpele (spelen), sjtrikke (breien), sjlaope (slapen), sjmere (smeren), sjnavel (snavel) en zjwart (zwart). Dit komt in de andere dialecten in Limburg niet voor. Daarnaast kent een groot deel van de Oost-Limburgse dialecten de zogeheten mouillering: een verzachting. Daarbij wordt de medeklinkercombinatie -nd uitgesproken als -nj of -ndj. In deze dialecten spreekt men dus niet van vinden en kinderen, maar van vènje en kènjer, van manj en hóndj. Verder kent het zuidelijk deel van het Oost-Limburgs (waartoe Sittards behoort) niet enkel een sj-klank aan het begin van het woord, maar ook aan het eind. Zowel in het Geleens als het Sittards heeft men het bijvoorbeeld over kitsj (klokhuis), plaatsj (plaats) en mötsj (muts), patsj (pet), kwatsj (onzin).

Taalkaart Limburg (afkomstig uit het boek Riek van Klank. Inleiding in de Limburgse dialecten)

Panninger Linie.

Bijzonderheden van het Sittards

Het dialect van Sittard wordt gekenmerkt door een klankverschijnsel dat in bijna geen enkel ander Limburgs dialect voorkomt. In de taalkunde wordt het ook wel Sittardse diftongering genoemd, een klankwet uit de 14ᵉ eeuw. Een diftong is een tweeklank, bijvoorbeeld ei, ou of ui. Tegenover de diftong staat de monoftong, de eenklank, zoals ee of oo. Kort samengevat kan men zeggen, dat de Sittardse diftongering bestaat uit het feit dat men, onder bepaalde voorwaarden, een gedeelte van de Limburgse lange eenklanken (monoftongen) ee, oo en eu in het Sittards uitspreekt als een tweeklank (diftong): ei, ou, ui. In het bekende spotzinnetje ‘r zit mit veier pöt beier en e koffiekuikske/-kaffekuikske in ’n huikske, dat in buurgemeenten van Sittard wel wordt gebruikt om de draak te steken met het Sittards dialect, zitten een aantal van die gevallen. Rondom Sittard, maar bijvoorbeeld ook in Geleen, klinkt dit zinnnetje als volgt: hae zit mit veer pöt beer en e koffiekeukske in ‘n heukske.